Sunday, May 19, 2013
The Galung Lombok Massacre. Dutch sources
Galung Lombok
Het Depot Speciale Troepen onder leiding van Vermeulen was na de actie in Soeppa nog niet klaar. Een paar dagen later, op dinsdag 1 februari 1947, vond het grootste drama plaats. Het was vroeg in de ochtend en nog donker toen Nederlandse militairen enkele dorpen in de buurt van Madjene in het noordelijke deel van Zuid-Celebes uitkamden. Volgens de inlichtingendienst zouden opstandige nationalisten die dag Madjene aanvallen. Zoals gebruikelijk werden eerst alle bewoners uit hun huizen gehaald en bijeengedreven op een drooggevallen rijstakker. Daar dreunde Vermeulen de namen op van negenentwintig mannen die eerder al waren opgepakt, maar weer waren vrijgelaten. Voor hem stond het vast: dit waren terroristen - om de eenvoudige reden dat ze bij hun aanhouding in het bezit bleken van papieren met het zegel van de verzetsorganisatie Angkatan Laoet Republik Indonesia. Daarmee stond ook hun straf vast: de kogel.
De onderluitenant wees drie helpers aan en met z'n vieren schoten ze de negenentwintig ieder een kogel door het hoofd. De 'zuivering' (zoals Vermeulen het zelf noemde) was begonnen. Vervolgens liet hij zestien mannen apart zetten. Alle zestien waren gevangenen, die met maar één bedoeling uit gevangenis waren gehaald en naar deze plek gebracht: om te worden doodgeschoten. Na deze executie begon pas de eigenlijke zuivering. Aan de dorpsoudste vroeg Vermeulen of er misdadigers onder de bijeengedreven dorpelingen waren. Ook zij werden doodgeschoten. Weigerde de dorpsoudste iets te zeggen, dan werden er willekeurige slachtoffers gekozen. Kapitein Ryborz van het KNIL assisteerde bij de executies. Binnen een uur werden ruim tweehonderd Indonesiërs vermoord. De rijstakker werd een dodenakker.
Nog tijdens de executies vernam Vermeulen dat een paar kampongs verderop mogelijk een patrouille van het Depot was aangevallen. Drie Nederlandse militairen van de Speciale Troepen zouden zijn gedood. Vermeulen ging direct op onderzoek uit. In de tussentijd gaf commandant Stufkens aan Ryborz de opdracht door te gaan met de executies. Nog eens dertig doden. Van Groenendaal, die zelf niet bij deze acties aanwezig was maar met Westerling elders op Celebes zat, hoorde later van zijn maten wat er met de DST'ers was gebeurd. "Die drie hebben zich laten verleiden door een meid! Ze waren op patrouille en in de berm van de weg aan het uitrusten. En toen kwam er een mooie meid en die verzocht ze mee in de kampong te gaan. Ze waren zo dom om dat te doen en zijn gelijk in de pan gehakt! Ze hebben ze naderhand gepontomd - in mootjes gehakt - teruggevonden." Hoe Vermeulen zijn mannen precies heeft aangetroffen, is niet duidelijk. Maar het zal behoorlijk akelig geweest zijn. Volgens een plaatselijke getuige had de guerrilla de militairen aan de kant van de weg in een boom gehangen met afgesneden penis in de mond. Bij terugkomt was Vermeulen in ieder geval woedend.
De wraak van Vermeulen
Uit wraak liet Vermeulen de mannen die uit dezelfde kampong afkomstig waren als de overvallers apart zetten. Wat volgde, had alles van een wilde schietpartij. Na enkele verschrikkelijke minuten waarin gericht gevuurd werd op de wanordelijke groep kampongbewoners kwam majoor Stufkens uit de bosjes waar hij, naar hij later beweerde, 'zijn behoefte' deed, en stopte de vuurpartij. Van de 115 mannen uit Segeri lagen er vijfenzeventig dood op de grond. Van de inwoners van Tahlolo bleken er zestig vermoord. De anderen, minder dan de helft, slaagden erin aan het vuur te ontkomen. Op de rijstakker lagen ook nog de lichamen van de mannen die vroeger in de ochtend waren gefussilleerd. In totaal bleken er die dag 364 doden te zijn. De lichamen werden in een massagraf geworpen. Daarna werden verschillende kampongs in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt.
Volgens latere verklaringen van Vermeulen vluchtten de mannen en werd daarna pas het vuur geopend. Maar volgens een oude blinde man in Galung Lombok ging het precies andersom: "Ze brachten alle mensen naar dit dorp en ze begonnen op iedereen te schieten. Toen ze begonnen te schieten, probeerde ik met tien andere mensen weg te lopen. We liepen zigzag, maar negen werden vermoord, alleen ik kon zigzaggend wegkomen. Er werden ook kinderen vermoord. Dat was per ongeluk...ze stonden ernaast." Een andere plaatselijke getuige, B. Lahir, vertelt: "Ze brachten alle mensen naar Galung Lombok, ook vrouwen en kinderen. Ze selecteerden de mensen die uit Segeri kwamen. En alle mensen uit Segeri werden vermoord." Onder de slachtoffers was ook de vader van Lahir. Hijzelf zat, als klein kind, op dat moment op de rug van zijn vader maar werd nog net door zijn oma gered. "Ze duwden m'n vader een geweerloop in de mond." De oom van Lahir kon zichzelf redden door onder de lijken te kruipen, bloed op zijn gezicht te smeren en te doen of hij dood was. Zelfs toen de Nederlandse militairen nog eens op het stapeltje lijken trapten om te controleren of iedereen dood was, verraadde de oom van Lahir zichzelf niet.
Het zijn slechts een paar getuigenissen van mensen die het nog na kunnen vertellen. Er zijn later wel pogingen gedaan een reconstructie van het bloedbad te maken maar plaatselijke ooggetuigen zijn nooit eerder gehoord. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het drama officieel bekend werd onder de noemer 'de vuurpaniek van Galung Galung'. Maar bij navraag in het dorp Galung Galung, 60 jaar later, verwijzen de bewoners naar 15 kilometer verderop: het bloedbad had plaats in Galung Lombok! Zestig jaar lang de verkeerde naam, het verkeerde dorp... De getuigen wijzen niet alleen de exacte geografische locatie aan, maar kleuren het schrikwekkende beeld dat uit de officiële rapporten opdoemt met nog gruwelijker details; vermoorde kinderen...daar maakten de rapporten geen melding van. Het zou, gezien de vastgestelde vergissing in de plaatsnaam, toch waar kunnen zijn. Misschien weer iets dat 'buiten de boekjes bleef...'.
********
Source:
-----------------------------------------------------------
Officiële rapporten
Tegen instructie en gewoonte in maakte KNIL-majoor J. Stufkens geen rapport op van wat er gebeurd was op de rijstakker. De gebeurtenissen in Galung Lombok zijn pas later gereconstrueerd. Maar toen was onderluitenant Vermeulen al lang weg van Celebes. Hij verliet op 5 februari 1947, dus vlak na het drama in Galung Lombok, het eiland en ging (op verlof?) naar Java. Westerling beweerde later dat hij Vermeulen had weggezonden nadat hem de laatste gruwelijkheden ter ore waren gekomen maar dat is niet zwart op wit vastgelegd. Niets in de officiële papieren duidt erop dat de gebeurtenissen in Galung Lombok destijds voor commotie zorgden.
Geruchten van bestuursambtenaren over het optreden van KNIL-militairen (en dus niet van het Depot Speciale Troepen!) te Paré Paré deden procureur-generaal Felderhof te Batavia vrezen dat "het plegen van dergelijke excessen weleens waarheid" zou kunnen zijn. Hij vroeg daarover op 7 februari aan Veldhuis, de officier van justitie te Makassar, opheldering. Nogmaals, Galung Lombok was daarbij niet in het geding, het ging om eerdere acties. Terwijl het antwoord van Veldhuis uitbleef, stroomden meer geruchten bij Felderhof binnen. Dat had tot gevolg dat Felderhof op 21 februari een vergadering met generaal Spoor en generaal-majoor Buurman van Vreeden bijeenriep. Opeens gingen de ontwikkelingen snel: de vergadering besloot het noodrecht, dat juist na het drama Galung Lombok was toegekend aan alle officieren, in te trekken. Tegelijkertijd werd kolonel De Vries opgedragen het vertrek van het Depot Speciale Troepen voor te bereiden. Op 4 maart was het zover: Westerling vertrok van Zuid-Celebes, uitgewuifd door enkele duizenden inwoners die 'spontaan'naar de haven waren gekomen.
Inmiddels waren geruchten over het optreden van het Depot Speciale Troepen tot Nederland doorgedrongen. Er werden kamervragen gesteld. Een onderzoekscommissie onder leiding van mr. Enthoven moest de kwestie onderzoeken. Na anderhalf jaar, eind 1948, meldde het eindrapport van de commissie dat er sprake was van excessen. Zo waren o.a. de gebeurtenissen te Galung Galung (sic!) volgens de commissie te ernstig om géén strafvervolging in te stellen. Generaal Spoor en Van Mook waren het hiermee eens en het kabinet in Den Haag stemde in met een gerechtelijk vooronderzoek. Raadsheer-commissaris G.L. Paardekooper werd hiermee belast. Dat onderzoek lag in de herfst van 1949 ter tafel, vlak voor de souvereiniteitsoverdracht. Volgens afspraak zouden de lopende zaken van het Indisch Militair Gerechtshof worden overgedragen aan Nederland. Maar met het rapport Paardekooper gebeurde dat niet. Waarschijnlijk omdat het politiek te gevoelig lag. Het rapport kwam niet naar Nederland, de Nederlandse vertegenwoordiging in Indonesië liet weten dat het "te dik was om er een afschrift van te maken". Daarop besloot KVP-minister Van Maarsseveen van verdere vervolging af te zien; zonder dossier was er geen beginnen aan.
Ondertussen bleef de kamer aandringen en werd een tweede onderzoekscommissie uitgezonden. De juristen Mr. Van Rij en Mr. Stam kregen de opdracht volledig verslag uit te brengen van de gebeurtenissen op Celebes ten tijde van het standrecht. Tijdens hun onderzoek bleek bewijsmateriaal verdwenen. Toch verzamelden Van Rij en Stam veel getuigenissen en feiten. Pas in augustus 1954 brachten ze hun vernietigende rapport uit. Vermeulen, Ryborz en Stufkens waren verantwoordelijk voor misstanden, maar zij niet alleen. Volgens de juristen konden ook "de burgerlijke autoriteiten, die hun handelingen goedkeurden, verzwegen, aanmoedigden of door de vingers zagen" niet buiten schot blijven. Het rapport werd aangeboden aan het derde kabinet Drees. Eerder al had Drees laten weten niet voor de vervolging van Westerling te voelen. Zo'n affaire zou, kort na de overdracht, te veel politiek gevoelig stof doen opwaaien. En hoe zou de ministerraad het kunnen verantwoorden om Westerling buiten vervolging te stellen en de drie andere mannen wel aan te klagen?
Zo verdween de hele affaire Celebes in een la. Het rapport Van Rij Stam werd niet openbaar gemaakt. Pas in 1969, toen een tv-uitzending van Achter het Nieuws de wandaden in Indonesië oprakelde, kwamen de conclusies van het rapport naar buiten. De uitzending leidde tot publieke verontwaardiging en een nieuw onderzoek: de excessennota. Celebes was daarin slechts een klein onderdeel, want het onderzoek betrof alle wandaden die in het naoorlogse Indonesië onder Nederlandse verantwoordelijkheid waren gepleegd. Consequenties had de nota verder ook niet, behalve dat Westerling in de discussie voor velen het symbool werd van alle excessen die in voormalig Nederlands-Indië hadden plaatsgevonden. Opnieuw ging de kwestie daarmee in feite in de doofpot.
Tekst: Karin van den Born
Research: Karin van den Born en Maarten Hidskes
Regie en samenstelling: Erik Willems
********
Source:
======================================================
geschiedenis 18 januari 2007
Op Celebes was niemand zijn leven zeker
Nederland 2, 21.25 uur
Vanavond het tweede deel van het tweeluik over Zuid-Celebes. De beruchte zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in Zuid-Celebes, dezer dagen precies zestig jaar geleden, liepen écht uit de hand toen commandant Raymond Westerling zijn troepen opsplitste. Bij de groep van ongeveer 60 man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, hebben zich zeer ernstige excessen voorgedaan.
Ook komen ooggetuigen en overlevenden in Indonesië aan het woord, die schokkende verhalen vertellen over het optreden van de Nederlandse soldaten.
De commando’s onder Westerling waren naar Zuid-Celebes gestuurd omdat de toestand daar onhoudbaar was. Niemand was zijn leven meer zeker, plunderende en rovende benden trokken rond en pleegden allerlei vormen van geweld.
Westerling kreeg van zijn superieuren volmachten om daar met alle middelen tegen op te treden. Hij koos voor het standrechtelijk executeren van verdachten, maar na verloop van tijd werd de nauwkeurigheid bij het onderzoek almaar kleiner. En op het laatst, zo blijkt uit Nederlands onderzoek en uit ooggetuigeverslagen, liepen de acties uit op regelrechte moordpartijen.
Op 1 februari 1947 zijn zelfs 364 doden gevallen toen de soldaten in het wilde weg op een menigte mannen begon te schieten. Volgens Nederlandse rapporten – er zijn twee onderzoekscommissies op pad gestuurd in begin jaren vijftig – gebeurde dat in het dorpje Galoeng Galoeng. Documentairemaker Erik Willems van Andere Tijden (de eerste journalist die daar ooit geweest is) ontdekte dat zij zich in de plaats vergist hadden omdat ze nooit ter plaatse onderzoek hadden ingesteld: het bleek om de plaats Galoeng Lombok te gaan.
Geen van de betrokken Nederlanders is ooit gestraft voor deze gebeurtenissen. Westerling is buiten vervolging gesteld omdat hij in opdracht handelde en tegen enige ondergeschikten is de vervolging begin jaren vijftig gestaakt.
Source:
********
Wednesday, March 20, 2013
Uti possidetis - uti possidetis juris
Uti
possidetis
Uti
possidetis (Latin for "as you possess") is a principle in
international law that territory and other property remains with its possessor
at the end of a conflict, unless otherwise provided for by treaty; if such a
treaty doesn't include conditions regarding the possession of property and
territory taken during the war, then the principle of uti possidetis will
prevail.[1] Originating in Roman law, the phrase is derived from the Latin expression
uti possidetis, ita possideatis, meaning "may you continue to possess such
as you do possess" (lit., "as you possess, thus may you
possess"). This principle enables a belligerent party to claim territory
that it has acquired by war.
In
the early 17th century, the term was used by England's James I to state that
while he recognized the existence of Spanish authority in those regions of the
Western Hemisphere where Spain exercised effective control, he refused to
recognize Spanish claims to exclusive possession of all territory west of
longitude 46° 37' W under the Treaty of Tordesillas.
More
recently, the principle has been used in a modified form (see Uti possidetis
juris) to establish the frontiers of newly independent states following
decolonization, by ensuring that the frontiers followed the original boundaries
of the old colonial territories from which they emerged. This use originated in
South America in the 19th century with the withdrawal of the Spanish Empire.[2]
By declaring that uti possidetis applied, the new states sought to ensure that
there was no terra nullius in South America when the Spanish withdrew and to
reduce the likelihood of border wars between the newly independent states and
the establishment of new European colonies.
The
same principle was applied to Africa and Asia following the withdrawal of
European powers from those continents, and in locations such as the former
Yugoslavia and the Soviet Union where former centralized governments fell, and
constituent states gained independence. In 1964 the Organisation of African
Unity passed a resolution stating that the principle of stability of
borders—the key principle of uti possidetis—would be applied across Africa.
Most of Africa was already independent by this time, so the resolution was
principally a political directive to settle disputes by treaty based on
pre-existing borders rather than by resorting to force. To date, adherence to
this principle has allowed African countries to avoid border wars; the notable
exception, the Eritrean–Ethiopian War of 1998–2000, had its roots in a
secession from an independent African country rather than a conflict between
two decolonized neighbours.[citation needed] On the other hand, the colonial
boundaries often did not follow ethnic lines, and this has helped lead to
violent and bloody civil wars among differing ethnic groups in many
post-colonial (and post-Communist) countries, including Sudan, the Democratic
Republic of the Congo, Angola, Nigeria, Uganda, Georgia, Azerbaijan, Moldova
and the former Yugoslavia.[3]
The
principle was affirmed by the International Court of Justice in the 1986 Case
Burkina-Faso v Mali:
[Uti
possidetis] is a general principle, which is logically connected with the
phenomenon of obtaining independence, wherever it occurs. Its obvious purpose
is to prevent the independence and stability of new states being endangered by
fratricidal struggles provoked by the changing of frontiers following the
withdrawal of the administering power.
===================================================
uti
possidetis juris
uti
possidetis juris (UPJ) is a principle of customary international law that
serves to preserve the boundaries of colonies emerging as States. Originally applied to establish the
boundaries of decolonized territories in Latin America, UPJ has become a rule
of wider application, notably in Africa.
The policy behind the principle has been explained by the International
Court of Justice in the Frontier Dispute (Burkina Faso/Mali)
Case:
[UPJ
is a] general principle, which is logically connected with the phenomenon of
the obtaining of independence, wherever it occurs. It's obvious purpose is to
prevent the independence and stability of new States being endangered by
fratricidal struggles provoked by the challenging of frontiers following the
withdrawal of the administering power…Its purpose, at the time of the
achievement of independence by the former Spanish colonies of America, was to
scotch any designs which non-American colonizing powers might have on regions
which had been assigned by the former metropolitan State to one division or
another, but which were still uninhabited or unexplored.
Case
Concerning the Frontier Dispute (Burkina Faso/Republic of Mali), ICJ Judgment,
22 December 1986,
********
=====================================
Max Planck Institute
for Comparative Public Law
and International Law
II.
Substantive International Law -
Second Part
1.
TERRITORY OF STATES
1.2.
Boundaries
1.2.4. Principle of "uti possidetis"
Frontier
Dispute, Judgment
(Burkina Faso/Republic of Mali)
I.C.J. Reports 1986, p. 554
[pp.
565-567] Since the two Parties have, as noted above, expressly requested the
Chamber to resolve their dispute on the basis, in particular, of the
"principle of the intangibility of frontiers inherited from
colonization", the Chamber cannot disregard the principle of uti
possidetis juris, the application of which gives rise to this respect for
intangibility of frontiers. Although there is no need, for the purposes of the
present case, to show that this is a firmly established principle of
international law where decolonization is concerned, the Chamber nonetheless
wishes to emphasize its general scope, in view of its exceptional importance
for the African continent and for the two Parties. In this connection it should
be noted that the principle of uti possidetis seems to have been first invoked
and applied in Spanish America, inasmuch as this was the continent which first
witnessed the phenomenon of decolonization involving the formation of a number
of sovereign States on territory formerly belonging to a single metropolitan
State. Nevertheless the principle is not a special rule which pertains solely
to one specific system of international law. It is a general principle, which
is logically connected with the phenomenon of the obtaining of independence,
wherever it occurs. Its obvious purpose is to prevent the independence and
stability of new States being endangered by fratricidal struggles provoked by
the challenging of frontiers following the withdrawal of the administering
power.
It was for this reason that, as soon as the
phenomenon of decolonization characteristic of the situation in Spanish America
in the 19th century subsequently appeared in Africa in the 20th century, the
principle of uti possidetis, in the sense described above, fell to be applied.
The fact that the new African States have respected the administrative
boundaries and frontiers established by the colonial powers must be seen not as
a mere practice contributing to the gradual emergence of a principle of
customary international law, limited in its impact to the African continent as
it had previously been to Spanish America, but as the application in Africa of
a rule of general scope.
The elements of uti possidetis were latent in
the many declarations made by African leaders in the dawn of independence.
These declarations confirmed the maintenance of the territorial status quo at
the time of independence, and stated the principle of respect both for the
frontiers deriving from international agreements, and for those resulting from
mere internal administrative divisions. The Charter of the Organization of
African Unity did not ignore the principle of uti possidetis, but made only
indirect reference to it in Article 3, according to which member States
solemnly affirm the principle of respect for the sovereignty and territorial
integrity of every State. However, at their first summit conference after the
creation of the Organization of African Unity, the African Heads of State, in
their Resolution mentioned above (AGH/ Res. 16 (I)), adopted in Cairo in July
1964, deliberately defined and stressed the principle of uti possidetis juris
contained only in an implicit sense in the Charter of their organization.
There are several different aspects to this
principle, in its well-known application in Spanish America. The first aspect,
emphasized by the Latin genitive juris, is found in the pre-eminence accorded
to legal title over effective possession as a basis of sovereignty. Its
purpose, at the time of the achievement of independence by the former Spanish
colonies of America, was to scotch any designs which non-American colonizing
powers might have on regions which had been assigned by the former metropolitan
State to one division or another, but which were still uninhabited or
unexplored. However, there is more to the principle of uti possidetis than this
particular aspect. The essence of the principle lies in its primary aim of
securing respect for the territorial boundaries at the moment when independence
is achieved. Such territorial boundaries might be no more than delimitations
between different administrative divisions or colonies all subject to the same
sovereign. In that case, the application of the principle of uti possidetis
resulted in administrative boundaries being transformed into international
frontiers in the full sense of the term. This is true both of the States which
took shape in the regions of South America which were dependent on the Spanish
Crown, and of the States Parties to the present case, which took shape within
the vast territories of French West Africa. Uti possidetis, as a principle
which upgraded former administrative delimitations, established during the
colonial period, to international frontiers, is therefore a principle of a
general kind which is logically connected with this form of decolonization
wherever it occurs.
The territorial boundaries which have to be
respected may also derive from international frontiers which previously divided
a colony of one State from a colony of another, or indeed a colonial territory
from the territory of an independent State, or one which was under
protectorate, but had retained its international personality. There is no doubt
that the obligation to respect pre-existing international frontiers in the
event of a State succession derives from a general rule of international law,
whether or not the rule is expressed in the formula uti possidetis. Hence the
numerous solemn affirmations of the intangibility of the frontiers existing at
the time of the independence of African States, whether made by senior African
statesmen or by organs of the Organization of African Unity itself are
evidently declaratory rather than constitutive: they recognize and confirm an
existing principle, and do not seek to consecrate a new principle or the
extension to Africa of a rule previously applied only in another continent.
However, it may be wondered how the
time-hallowed principle has been able to withstand the new approaches to
international law as expressed in Africa, where the successive attainment of
independence and the emergence of new States have been accompanied by a certain
questioning of traditional international law. At first sight this principle
conflicts outright with another one, the right of peoples to
self-determination. In fact, however, the maintenance of the territorial status
quo in Africa is often seen as the wisest course, to preserve what has been
achieved by peoples who have struggled for their independence, and to avoid a
disruption which would deprive the continent of the gains achieved by much
sacrifice. The essential requirement of stability in order to survive, to
develop and gradually to consolidate their independence in all fields, has
induced African States judiciously to consent to the respecting of colonial
frontiers, and to take account of it in the interpretation of the principle of
self-determination of peoples.
Thus the principle of uti possidetis has kept
its place among the most important legal principles, despite the apparent
contradiction which explained its coexistence alongside the new norms. Indeed
it was by deliberate choice that African States selected, among all the classic
principles, that of uti possidetis. This remains an undeniable fact. In the
light of the foregoing remarks, it is clear that the applicability of uti
possidetis in the present case cannot be challenged merely because in 1960, the
year when Mali and Burkina Faso achieved independence, the Organization of
African Unity which was to proclaim this principle did not yet exist, and the
above-mentioned resolution calling for respect for the preexisting frontiers
dates only from 1964.
[p.
568] By becoming independent, a new State acquires sovereignty with the
territorial base and boundaries left to it by the colonial power. This is part
of the ordinary operation of the machinery of State succession. International
law - and consequently the principle of uti possidetis - applies to the new
State (as a State) not with retroactive effect, but immediately and from that
moment onwards. It applies to the State as it is, i.e., to the "photograph"
of the territorial situation then existing. The principle of uti possidetis
freezes the territorial title; it stops the clock, but does not put back the
hands. Hence international law does not effect any renvoi to the law
established by the colonizing State, nor indeed to any legal rule unilaterally
established by any State whatever; French law - especially legislation enacted
by France for its colonies and territoires d'outre-mer - may play a role not in
itself (as if there were a sort of continuum juris, a legal relay between such
law and international law), but only as one factual element among others, or as
evidence indicative of what has been called the "colonial heritage",
i.e., the "photograph of the territory" at the critical date.
[pp.
586-587] Apart from the texts and maps listed above, the Parties have invoked
in support of their respective contentions the "colonial
effectivités", in other words, the conduct of the administrative
authorities as proof of the effective exercise of territorial jurisdiction in
the region during the colonial period. For Burkina Faso, the effectivités can
support an existing title, whether written or cartographical, but when their
probative value has to be assessed they must be systematically compared with the
title in question; in no circumstances can they be substituted for the title.
For its part, Mali admits that in principle the effectivités cannot be brought
into operation where they are contrary to the text of a treaty, but argues that
in a situation where there is no boundary described in conventional or
legislative form, it is necessary to ascertain the boundary by other methods,
and an investigation of the effectivités then becomes essential. The role
played in this case by such effectivités is complex, and the Chamber will have
to weigh carefully the legal force of these in each particular instance. It
must however state forthwith, in general terms, what legal relationship exists
between such acts and the titles on which the implementation of the principle
of uti possidetis is grounded. For this purpose, a distinction must be drawn
among several eventualities. Where the act corresponds exactly to law, where
effective administration is additional to the uti possidetis juris, the only
role of effectivité is to confirm the exercise of the right derived from a
legal title. Where the act does not correspond to the law, where the territory
which is the subject of the dispute is effectively administered by a State
other than the one possessing the legal title, preference should be given to
the holder of the title. In the event that the effectivité does not co-exist
with any legal title, it must invariably be taken into consideration. Finally,
there are cases where the legal title is not capable of showing exactly the
territorial expanse to which it relates. The effectivités can then play an
essential role in showing how the title is interpreted in practice.
[pp. 661-662 S.O. Abi-Saab] The purpose of
this frantic search for a "written legal title", turning anything and
everything into account, is to satisfy a particular conception of the uti
possidetis principle.
However, this principle, like any other, is
not to be conceived in the absolute; it has always to be interpreted in the
light of its function within the international legal order.
At first sight, it may indeed seem paradoxical
that peoples that have struggled for their independence should set so much
store by their "colonial heritage". At the beginning, however, at the
time when the Latin American countries were achieving independence, the
principle of uti possidetis was formulated to serve a dual purpose: first, a
defensive purpose towards the rest of the world, in the form of an outright
denial that there was any land without a sovereign (or terra nullius) in the
decolonized territories, even in unexplored areas or those beyond the control
of the colonizers; secondly, a preventive purpose: to avoid or at least to
minimize conflict occurring in the relationships among the successors, by
freezing the carved-up territory in the format it exhibited at the moment of
independence.
These two objectives therefore postulate the
existence of a boundary, an impermeable territorial division, at the moment of
independence. This hypothesis can only be factually verified in each case if a
boundary is taken to mean a "line" in the geometric sense of the word.
Otherwise it will be the inevitable fate of the principle of uti possidetis to
operate as a mere fiction that jars with reality.
This is because a minimum of two points will
always suffice for the definition of a line if one starts from the geometric
concept of a "line" as "generated by the motion of a point"
(Encyclopaedia Britannica, 11th ed.). In this sense there would always be a
line to satisfy the logical requirements for the functioning of the uti
possidetis principle. But if one starts from the common idea of a line as a
concrete trace every point on which is specifically identifiable, it is far
from likely that the postulate could be shown as realized in every instance.
By proceeding from the geometric concept of a
line, which is alone capable of reconciling the principle of uti possidetis
with the facts, we can state that there is always a line which defines the
outer limit of lawful possession. But the scope of a court's role in
identifying that line will vary inversely to the extent of its having taken
concrete shape. The fewer the points (or points of reference) involved in its
definition, the greater the court's "degrees of freedom" (in the
statistical sense). And it is here that considerations of equity infra legem
(mentioned in paragraph 28 of the Judgment) come into play, to guide the court
in the exercise of this freedom when interpreting and applying the law and the
legal titles involved.
Wednesday, February 13, 2013
Dutch Foreign Minister: Indonesia’s Independence December 1949
Dutch Minister for Foreign
Affairs, Bernard Rudolf (Ben) Bot said in Jakarta, that Indonesia’s independence was December 1949.
Interview Ben Bot in
Jakarta, August 18, 2005.
Transcript of the statement of
Ben Bot in The Hague, August 15, 2005: Now (2005) Dutch Government ACCEPT de
facto Indonesian Independence August 17, 1945.
Ben
Bot. Toespraak ter gelegenheid van de 15 augustus-herdenking bij het
Indië-monument:
---------------------------------------------------------
Transcript of the statement
of Ben Bot in Jakarta, August 16, 2005: Now (2005) Dutch Government expresses the political
and moral ACCEPTANCE of the August 17, 1945 proclamation.
Speech
by Minister Bot On the 60th anniversary of the Republic of Indonesia’s
independence declaration:
Thursday, January 24, 2013
Pressemitteilung: Gedenken an das Galung Lombok Massaker
THE
COMMITTEE OF DUTCH HONORARY DEBTS
PRESSEMITTEILUNG
Gedenken 2013
Zum Gedenken an das Verbrechen gegen die Menschlichkeit, wird das Volk vom Mandar, West Sulawesi einen Kongress des Volkes vom Mandar, West Sulawesi veranstalten.
Der
Kongress wird am Samstag, den 2. Februar, im Assmmalewuang Bulding, Jalan Gatot
Subroto (Gatot Subroto Strasse), Mandar, West Sulawesi stattfinden.
Der
Governeur der West Sulawesi Provinz, H. Anwar Adnan Shaleh wird den Kongress
eröffnen.
Hauptspreche:
Salim Mengga, Mitglied des indonesischen Parlaments
Salim Mengga, Mitglied des indonesischen Parlaments
Sprecher:
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Vorsitzender des West Sulawesi Parlaments
2. Brig. Gen. (a.D.) H. Jawas Jusuf, Sohn eines Opfers des Massakers.
3. Prof. DR. Edward L. Poelinggomang, Historiker an der Hassanuddin Universität, Makassar.
4. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Vorsitzender des Rates des Committee of Dutch Honorary Debts.
5. H. Zainuddin, Augenzeuge.
6. Batara R. Hutagalung, Vorsitzender des Committee of Dutch Honorary Debts.
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Vorsitzender des West Sulawesi Parlaments
2. Brig. Gen. (a.D.) H. Jawas Jusuf, Sohn eines Opfers des Massakers.
3. Prof. DR. Edward L. Poelinggomang, Historiker an der Hassanuddin Universität, Makassar.
4. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Vorsitzender des Rates des Committee of Dutch Honorary Debts.
5. H. Zainuddin, Augenzeuge.
6. Batara R. Hutagalung, Vorsitzender des Committee of Dutch Honorary Debts.
Zum
ersten Mal eine Rekonstruktion des Massakers an mehr als 700 Menschen wird am
Sontag, den 3. Februar 2013 an dem Monument im Dorf Galung Lombok veranstaltet.
Mehr
als ein Tausend Menschen aus West Sulawesi werden daran teilnehmen.
Der
niederländische Botschafter für Indonesien, SE Tjeerd de Zwan auch zu den
beiden Veranstaltungen eingeladen.
Mit
freundlichen Gruessen,
Batara
R. Hutagalung
Vorsitzender
des Committee of Dutch Honorary Debts
===================================
Die Vorgeschichte:
Am 1. Februar 1947 im Dorf Galung Lombok, Distrikt Polewali
Mandar, West Sulawesi, Indonesien, haben die niederländische Soldaten der Eliteeinheit Depot Speciale Troepen mehr als 700 bewohner aus den umliegenden Dörfern massakriert. Standrechtlich erschossen.
Keine der verantwortlichen
Offiziere und Soldaten wurden jemals angeklagt.
Die
Namensliste der Opfer, siehe (auf englisch):
Was in den ehemaligen
Kolonien –wie in Indonesien- nach Ende des zweiten Weltkrieges passierte,
hat die Weltgeschichte sehr wenig
geschrieben. Die Weltgeschichte hat die Grausamkeiten die zwischen 1945 – 1950
in Indonesien passierten, nicht geschrieben.
Nachdem Indonesien am 17.
August 1945 die Unabhängigkeit ausrufte, versuchten die Niederländer –mit Hilfe
von drei britschen Divisionen unter Befehl des Generalleutnants Phillip
Christison und zwei australischen Divisionen unter Befehl des Generalleutnants
Leslie “Ming the Merciless”
Morsehead- Indonesien wieder zu kolonisieren.
Im November 1945, bombardierten
die Briten die Stadt Surabaya. Schätzungsweise mehr als 20.000 Einwohnern der
Stadt wurden getötet. Darunter auch Frauen und Kinder.
Während der niederländischen
militärischen Aggression zwischen 1945 - 1950, wurden schätzungsweise 800.000
bis eine Million Menschen getötet. Zum grössten Teil waren Zivilisten (Non-combatant). Darunter auch Fraun und
Kinder. Tausenden wurden grausam massakriert oder zu Tode gefoltert. Vor den
Augen ihrer Familien wurden sie ohne jede juristische Anklage oder Urteil, standrechtlich
erschossen. Indonesische Frauen wurden von niederländischen Offizieren und
Soldaten vergewaltigt.
Über die Greultaten der
niederländischen Soldaten in Indonesien, siehe einige Artikel:
- NIEDERLAENDISCES KRIEGSVERBRECHEN: GEHEN SIE BETEN.
Quelle:
DER SPIEGEL 07/1969 vom 10.02.1969, Seite 113
- RAWAGEDEH. Verleugnetes Erbe. Von Joke van Kampen:
Quelle:
DIE ZEIT, 34/1995
- Einige Artikel auf holländisch
Bloedbad in Galung Lombok
- The Rawagede Tragedy
On
December 9, 1947 Dutch soldiers massacred 431 villagers in the village of
Rawagede, West Java.
Galung Lombok Monument
Massengrab
Massengrab
Tochter eines Opfers zeigt das Grab ihres Vaters
Sohn eines Opfers am Grab seines Vaters
Vor dem Wall mit den Namen der Opfer
Mit der Witwe (91 Jahre) eines Opfers und zwei Augenzeugen
Mit Fatani Thayeb, einem Augenzeuge (104 Jahre)
Tuesday, January 22, 2013
Harry van Bommel: Verzoening
On October 19, 2008, in the
lounge of JW.Marriott hotel Jakarta, three
members of the Dutch parliament (Tweede Kamer), Harry van Bommel (SP),
Joel Voordewind (ChristenUnie) and Harm E. Waalkens (PvdA) met two widows, Mrs
Wanti and Mrs Wisah, as well as Mr. Sa’ih, last survivor of the massacre in Rawagede.
The two widows and Mr. Sa’ih
and also the families of the victims in Rawagede were willing to give
forgiveness. But whom should forgiveness be given if nobody apologizes? They
also invited the Dutch veterans who were involved at the massacre in Rawagede
on December 9, 1947, to come to Rawagede for a reconciliation (verzoening. See
article from Harry van Bommel below).
But until today, 2013, there
is no response from the veterans, and according to Harry van Bommel, the Ducth
government at that time refused to facilitate the verzoening.
Mr. Sa'ih died on May 2011.
Mr. Sa'ih died on May 2011.
About the reconciliation,
see the Committee of Dutch Honorary Debts:
========================================
22 OKTOBER 2008
Column
Harry van Bommel:
Verzoening
Vlak voor het einde van mijn werkbezoek aan Indonesië kon ik spreken met
drie slachtoffers van Nederlandse oorlogsmisdaden die plaatshadden op 9
december 1947 in Rawagede. Een officieel gesprek van de delegatie zat er niet
in. Een meerderheid wilde dat om verschillende redenen niet. Op zondag was het
formele gedeelte van de reis voorbij en kon ik samen met leden van de PvdA en
de ChristenUnie toch nog een gesprek voeren. De slachtoffers kwamen daarvoor
naar Jakarta.
Mijnheer Sa'ih is 86 jaar oud en de enige overlevende. Alle andere mannen
en jongens in het dorp, in totaal ruim 430, werden doodgeschoten door
Nederlandse dienstplichtige infanteristen. De twee oude dames die Sa'ih
vergezellen, zijn weduwen van geëxecuteerden. Het gesprek ging vooral over verzoening. Deze slachtoffers van
Nederlands geweld kunnen de grootsheid opbrengen om tot verzoening te komen met
de Nederlandse militairen die dus feitelijk oorlogsmisdaden hebben begaan. Dat
is uitzonderlijk.
Elk jaar wordt op 9 december de moordpartij ter plekke herdacht. In 2005
erkende toenmalig minister Bot dat Nederland “aan de verkeerde kant van de
geschiedenis” had gestaan in de koloniale oorlog. Vorig jaar was er voor het
eerst iemand van de ambassade bij de herdenking en dit jaar was er dus een
ontmoeting met Kamerleden. De nu naar veteranen uitgestoken hand mag wat mij betreft
niet worden geweigerd. Ik denk dat er ook wel veteranen zullen zijn die deze
verzoening wensen. Laat de regering hun tocht naar de herdenking mogelijk maken
en begeleiden! Deze inmiddels oude mannen dragen een loden last met zich mee
die voortkwam uit foute beslissingen die in politiek Den Haag werden genomen en
waar nooit volledige verantwoordelijkheid voor is genomen.
Source:
Monday, January 21, 2013
The Galung Lombok Massacre. Commemoration 2013/Herdenking 2013
THE COMMITTEE OF DUTCH HONORARY DEBTS
PRESS
RELEASE
(List of the names of the
victims from booth districts, see: http://batarahutagalung.blogspot.com/2012/06/galung-lombok-massacre-list-of.html)
In connection with this
horrific humanitarian tragedy, the people of the West Sulawesi Province will hold
the 2nd Congress of the People of Mandar on Saturday, February 2,
2013 at the Assammalewuang Building, Jl. Jend. Gatot Subroto, Majene – West
Sulawesi.
The Governor of the Province
of West Sulawesi, H. Anwar Adnan Shaleh will open the Congress.
Keynote speaker :
Salim Mengga, Chairman of the Organisation of the People of Mandar, West Sulawesi
Salim Mengga, Chairman of the Organisation of the People of Mandar, West Sulawesi
Speakers :
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Chairman of the Parliament of West Sulawesi.
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Chairman of the Parliament of West Sulawesi.
2. Brig. Gen.
(ret.) H. Jawas Jusuf, son of a victim of the massacre
3. Prof. DR. Edward L. Poelinggomang, Historian at the Hassanuddin University, Makassar
4. H. Zainuddin, eye witness.
5. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Chairman of the Advisory Council of The Committee of Dutch Honorary Debts
6. Batara R. Hutagalung, Founder and Chairman of The Committee of Dutch Honorary Debts.
3. Prof. DR. Edward L. Poelinggomang, Historian at the Hassanuddin University, Makassar
4. H. Zainuddin, eye witness.
5. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Chairman of the Advisory Council of The Committee of Dutch Honorary Debts
6. Batara R. Hutagalung, Founder and Chairman of The Committee of Dutch Honorary Debts.
To commemorate the killings
of more than 700 villagers, on Sunday, February 3, 2013
a commemoration will be held at the Monument of Galung Lombok.
a commemoration will be held at the Monument of Galung Lombok.
For the first time, a
reconstruction of the massacre will be held in a theatrical performance.
More than one thousand
people of the Province of West Sulawesi and the Province of South Sulawesi will
attend the commemoration.
The Dutch Ambassador to
Indonesia, HE Tjeerd de Zwan is also invited to the congress and to the commemoration.
Some Dutch sources about the
massacre in Galung Lombok, see:
Batara R. Hutagalung
Founder and Chairman of the
Committee of Dutch Honorary Debts
The Monument in Galung Lombok, West Sulawesi
The mass graves
Daughter of a victim pointing the grave of her father
Son of a victim at the grave of his father
Batara R. Hutagalung with Baya Langi, a widow of a victim
and two eye witnesses
The Galung Lombok Massacre. Bloedbad in Galung Lombok
Note:
In the Dutch reports, the
victims of the Galung Lombok massacre were “only” 364.
We have the list of the
names of 490 victims. Around 160 victims are still investigated.
See list of the names of the victims:
Batara R. Hutagalung
Founder and Chairman of the
Committee of Dutch Honorary Debts
===========================================
Celebes, deel 2
Inleiding
De zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in Zuid-Celebes liepen
écht uit de hand toen de commandant, Raymond Westerling, zijn troepen
opsplitste. Bij de groep van ongeveer zestig man die onder onderluitenant J.B.
Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, deden zich de
ernstigste misstanden voor. Ooggetuigen en overlevenden in Indonesië komen aan
het woord in dit vervolg over de terreur op Celebes.
Vermeulen en de
inlichtingen
In december 1946 hadden de Speciale Troepen in de streek rond Makassar hun
werk gedaan. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe. Mannen die beschouwd werden
als 'extremisten'of 'rampokkers' kregen de kogel. De eigen inlichtingendienst
van het DST verschafte informatie over verdachte personen en plekken waar het
'verzet' zich concentreerde. Die dienst werd geleid door onderluitenant Jan
Vermeulen. Hij was de tweede man onder Westerling. De plaatselijke bevolking
werd bij het inlichtingenwerk ingeschakeld. Er was altijd wel iemand bereid als
'spion' te fungeren en medeburgers aan de Nederlandse militairen te verraden.
En als het niet goedschiks ging, dan maar kwaadschiks.
Hay van Groenendaal herinnert zich hoe gevangenen gedwongen werden tot
praten: "Wij moesten inlichtingen hebben om verder te gaan. Dus in de gebieden
waar wij nog niet waren, daar opereerde die groep van Vermeulen. Ze
organiseerden bijeenkomsten en als die mensen niet alles vertelden, dan werden
ze meegenomen. We kregen dus gevangenen van Vermeulen. Er was een Goedang, op
een afgesloten terrein, in ons barakkenkamp, waar die gevangenen werden
ondergebracht. Die werden daar opgehangen aan de polsen. De polsen werden op de
rug bij elkaar gebonden en dan omhoog getrokken. En gemiddeld hingen daar
tussen de 10 en 20 mensen... en op een gegeven ogenblik sloegen ze door en dat
werd dan genoteerd. Dat was onze inlichtingendienst."
De martelingen staan niet vermeld in de geschiedschrijving over het Depot
Speciale Troepen. Oftewel, zoals Groenendaal zelf fijntjes opmerkt: "Dat
wat niet in de boekjes staat..." Toch lijkt het, hoewel Van Groenendaal de
enige getuige van het Depot Speciale Troepen is die er iets over zegt, niet
onwaarschijnlijk dat het inderdaad heeft plaatsgevonden. In een document van
een inmiddels overleden reguliere KNIL-soldaat, die vertelt over de periode
voordat het Depot Speciale Troepen ten tonele verscheen, wordt ook al gesproken
over martelingen op Celebes. Misschien was er sprake van een normale, door
iedereen geaccepteerde, werkwijze die verder geen opzien baarde en die niet als
speciale 'verdienste' van het Depot Speciale Troepen te boek kwam te staan. Hoe
het ook zij, als Vermeulen inderdaad zo zijn inlichtingen vergaarde, moet het
met medeweten van kapitein Westerling zijn geweest. Tenslotte vonden de
martelingen in de beschrijving van Van Groenendaal plaats in het barakkenkamp
van het DST. Onder de neus van Westerling. Dat was anders bij een later
optreden, toen Vermeulen geheel op eigen houtje aan het 'zuiveren' sloeg. Het
eindigde in een bloedige massamoord.
Naar het
Noorden
Half januari 1947 splitste Westerling, met toestemming van kolonel De
Vries, het Depot Speciale Troepen. Hijzelf bleef op de thuisbasis Makassar en
onderluitenant Vermeulen trok met 60 man naar het noorden. Het verzet, dat
inmiddels grotendeels was verjaagd uit de hoofdstad Makassar, concentreerde
zich inmiddels daar, in het district Pinrang. En dus zou Vermeulen een zware
klus krijgen. Op 13 januari 1947 meldde Vermeulen zich in Paré Paré bij majoor
Stufkens, die de leiding had over de reguliere KNIL-eenheden ter plekke.
Stufkens was goed voorbereid op de komst van Vermeulen. De autoriteten in
Makassar hadden hem uitgebreid ingelicht over de methode-Westerling en de
bevoegdheden van Vermeulen.
De DST'er Vermeulen en de KNIL'er Stufkens besloten dat er direct de
volgende dag een voorbeeld gesteld zou worden. De bevolking moest weten dat er
voortaan met harde hand tegen elke vorm van verzet werd opgetreden. Op 14
januari lieten ze vijfentwintig terroristen uit de gevangenis naar het
autobusstation in Paré Paré overbrengen. Daar werden ze in rijen opgesteld.
Vermeulen hield een korte toespraak waarin de schuld van de gevangenen werd
vastgesteld, daarna opende hij het vuur. De dode lichamen werden in een
gemeenschappelijk graf gegooid. Dat was nog maar het begin van de noordelijke
veldtocht van Vermeulen. In de daarop volgende dagen voerde Vermeulen,
ondersteund door commandant Stufkens en commandant Ryborz , in de omtrek
'zuiveringen' uit volgens de methode Westerling waarbij steevast tientallen
doden vielen - meer dan bij Westerling. Ook werden vaker, net zoals op de
eerste dag, gevangenen uit de plaatselijke gevangenis gehaald en geëxecuteerd.
Maar het verzet viel volgens de militairen niet te breken zolang sommige
adellijke leiders buiten schot bleven. Vermeulen drong daarom bij zijn
meerdere, kolonel De Vries te Makassar, aan op toestemming om de - inmiddels
gevangen genomen - adellijke personen te mogen liquideren. Op 22 januari
belegde kolonel De Vries een vergadering waarbij onder andere de resident Cachet
en de officier van justitie Veldhuis aanwezig waren om de kwestie te bespreken.
Onder de hoge heren was aanvankelijk aarzeling ten aanzien van deze politiek
gevoelige kwestie. Maar uiteindelijk gingen ze toch akkoord. Wel moest volgens
de vergadering rekening worden gehouden met de plaatselijke gebruiken. Adellijk
bloed mocht niet over de aarde vloeien want dat zou het gebied onvruchtbaar
maken. Verdrinken of levend begraven was volgens de vergadering geen
alternatief. En dus werd geopperd de slachtoffers op een prauw voor de kust te
executeren. De te volgen lijn was dus al voor Vermeulen uitgestippeld. Maar
eerst moest er, al was het voor de formaliteit, een onderzoek ingesteld worden
naar de schuld van de betreffende personen. Nadat een commissie die schuld
binnen drie dagen had vastgesteld, was er voor het DST'er geen hindernis meer
om tot executie over te gaan. Er was slechts één kleine uitzondering gemaakt.
Vanuit Batavia - waar men blijkbaar ook op de hoogte was van de plannen - kwam
het uitdrukkelijke bevel de datoe (vorstelijk leider) van Soeppa te sparen.
Geëxecuteerd of
verdronken
Op 28 januari zetten het DST en het KNIL een grote militaire actie tegen
Soeppa in. Bij de zuiveringen in dit gebied kwamen ruim tweehonderd personen
om. Vier adellijke personen die met de datoe van Soeppa gevangen zaten, werden
op een prauw voor de kust doodgeschoten. Daarnaast werden 15 overige gevangenen
op verschillende plekken geëxecuteerd. Ook de datoe kwam uiteindelijk om het
leven. Tot zover de feiten die zijn opgetekend in rapporten en officiële
verklaringen. Vermeulen beweerde later dat de datoe trachtte te ontvluchten en
daarom werd doodgeschoten. Bovendien beweerde hij in een interview dat Willem
IJzereef in 1983 met hem had, dat er nooit mensen op een prauw zouden zijn
doodgeschoten. De getuigen in het huidige Indonesië vertellen weer een ander
verhaal.
Zo vertelt S. Sapada, dochter van één van de adellijke leiders in Soeppa:
"Mijn vader was uitgesproken nationalist, ook al in de jaren dertig, een
aanhanger van Boemkarno. Hij vond dat de adel het volk moest helpen. Daarom
weigerde hij om met de Nederlanders samen te werken. In januari zat mijn vader
al in de gevangenis. Daarna brachten ze hem uit de gevangenis over naar Soeppa.
Daar waren tweehonderd man verzameld. Er werd hem gezegd: kijk, dit is jouw
volk. Als je met ons meewerkt dan willen we je leven redden. Maar hij wilde
niet en daarom werd de helft van de mensen neergeschoten. Opnieuw kwam de
vraag. Maar hij zei: nee, je kan mij en mijn volk neerschieten. Maar ze schoten
niet op mijn vader. Want als het bloed van mijn vader op de grond zou vallen,
dan zou dat betekenen dat de oogst zou mislukken. Dus mijn vader gooiden ze met
een steen in de oceaan."
De 80-jarige A. Wanrang te Soeppa bevestigt het verhaal van de
verdrinkingsdood. Hij heeft het van anderen gehoord, want zelf zat hij op dat
moment in de gevangenis op verdenking van wapenbezit. "Ze wilden drie
mensen vermoorden. Maar er werd gezegd: bind ze vast en breng ze naar de kust.
En toen werden ze in zee gegooid met een steen. En na twee dagen, dat werd me
verteld, kwamen de lichamen weer boven water. De bewoners zagen het: alle
lichamen werden gevonden in Marabungan-beach." Het verhaal van Wanrang
over de acties in Soeppa sluiten wel aan bij de officiële versie. Hij vertelt
dat Soeppa inderdaad een belangrijke basis was voor de guerilla en dat er veel
Javanen in het gebied zaten. Om drie uur 's nachts begon de omsingeling van het
dorp door de Nederlandse militairen. Iedereen werd naar een veld gebracht. Daar
werden ongeveer tweehonderd mannen vermoord. Ook de broer en de vader van
Wanrang. Maar Wanrang voelt geen wrok en zoekt aarzelend naar de motieven voor
het optreden van de Nederlandse militairen: "Ze zochten de guerrilla. Zij
zeiden altijd 'rampok'. Misschien waren ze boos omdat we vrij wilden zijn. Ze
schoten de mensen een voor een dood. Ze schoten ze altijd in de kop."
Galung Lombok
Het Depot Speciale Troepen onder leiding van Vermeulen was na de actie in
Soeppa nog niet klaar. Een paar dagen later, op dinsdag 1 februari 1947, vond
het grootste drama plaats. Het was vroeg in de ochtend en nog donker toen
Nederlandse militairen enkele dorpen in de buurt van Madjene in het noordelijke
deel van Zuid-Celebes uitkamden. Volgens de inlichtingendienst zouden
opstandige nationalisten die dag Madjene aanvallen. Zoals gebruikelijk werden
eerst alle bewoners uit hun huizen gehaald en bijeengedreven op een
drooggevallen rijstakker. Daar dreunde Vermeulen de namen op van negenentwintig
mannen die eerder al waren opgepakt, maar weer waren vrijgelaten. Voor hem
stond het vast: dit waren terroristen - om de eenvoudige reden dat ze bij hun
aanhouding in het bezit bleken van papieren met het zegel van de
verzetsorganisatie Angkatan Laoet Republik Indonesia. Daarmee stond ook hun
straf vast: de kogel.
De onderluitenant wees drie helpers aan en met z'n vieren schoten ze de
negenentwintig ieder een kogel door het hoofd. De 'zuivering' (zoals Vermeulen
het zelf noemde) was begonnen. Vervolgens liet hij zestien mannen apart zetten.
Alle zestien waren gevangenen, die met maar één bedoeling uit gevangenis waren
gehaald en naar deze plek gebracht: om te worden doodgeschoten. Na deze
executie begon pas de eigenlijke zuivering. Aan de dorpsoudste vroeg Vermeulen
of er misdadigers onder de bijeengedreven dorpelingen waren. Ook zij werden
doodgeschoten. Weigerde de dorpsoudste iets te zeggen, dan werden er
willekeurige slachtoffers gekozen. Kapitein Ryborz van het KNIL assisteerde bij
de executies. Binnen een uur werden ruim tweehonderd Indonesiërs vermoord. De
rijstakker werd een dodenakker.
Nog tijdens de executies vernam Vermeulen dat een paar kampongs verderop
mogelijk een patrouille van het Depot was aangevallen. Drie Nederlandse
militairen van de Speciale Troepen zouden zijn gedood. Vermeulen ging direct op
onderzoek uit. In de tussentijd gaf commandant Stufkens aan Ryborz de opdracht
door te gaan met de executies. Nog eens dertig doden. Van Groenendaal, die zelf
niet bij deze acties aanwezig was maar met Westerling elders op Celebes zat,
hoorde later van zijn maten wat er met de DST'ers was gebeurd. "Die drie
hebben zich laten verleiden door een meid! Ze waren op patrouille en in de berm
van de weg aan het uitrusten. En toen kwam er een mooie meid en die verzocht ze
mee in de kampong te gaan. Ze waren zo dom om dat te doen en zijn gelijk in de
pan gehakt! Ze hebben ze naderhand gepontomd - in mootjes gehakt -
teruggevonden." Hoe Vermeulen zijn mannen precies heeft aangetroffen, is
niet duidelijk. Maar het zal behoorlijk akelig geweest zijn. Volgens een
plaatselijke getuige had de guerrilla de militairen aan de kant van de weg in
een boom gehangen met afgesneden penis in de mond. Bij terugkomt was Vermeulen
in ieder geval woedend.
De wraak van
Vermeulen
Uit wraak liet Vermeulen de mannen die uit dezelfde kampong afkomstig waren
als de overvallers apart zetten. Wat volgde, had alles van een wilde
schietpartij. Na enkele verschrikkelijke minuten waarin gericht gevuurd werd op
de wanordelijke groep kampongbewoners kwam majoor Stufkens uit de bosjes waar
hij, naar hij later beweerde, 'zijn behoefte' deed, en stopte de vuurpartij.
Van de 115 mannen uit Segeri lagen er vijfenzeventig dood op de grond. Van de
inwoners van Tahlolo bleken er zestig vermoord. De anderen, minder dan de
helft, slaagden erin aan het vuur te ontkomen. Op de rijstakker lagen ook nog
de lichamen van de mannen die vroeger in de ochtend waren gefussilleerd. In
totaal bleken er die dag 364 doden te zijn. De lichamen werden in een massagraf
geworpen. Daarna werden verschillende kampongs in brand gestoken en met de
grond gelijk gemaakt.
Volgens latere verklaringen van Vermeulen vluchtten de mannen en werd
daarna pas het vuur geopend. Maar volgens een oude blinde man in Galung Lombok
ging het precies andersom: "Ze brachten alle mensen naar dit dorp en ze
begonnen op iedereen te schieten. Toen ze begonnen te schieten, probeerde ik
met tien andere mensen weg te lopen. We liepen zigzag, maar negen werden
vermoord, alleen ik kon zigzaggend wegkomen. Er werden ook kinderen vermoord.
Dat was per ongeluk...ze stonden ernaast." Een andere plaatselijke
getuige, B. Lahir, vertelt: "Ze brachten alle mensen naar Galung Lombok,
ook vrouwen en kinderen. Ze selecteerden de mensen die uit Segeri kwamen. En
alle mensen uit Segeri werden vermoord." Onder de slachtoffers was ook de
vader van Lahir. Hijzelf zat, als klein kind, op dat moment op de rug van zijn
vader maar werd nog net door zijn oma gered. "Ze duwden m'n vader een
geweerloop in de mond." De oom van Lahir kon zichzelf redden door onder de
lijken te kruipen, bloed op zijn gezicht te smeren en te doen of hij dood was.
Zelfs toen de Nederlandse militairen nog eens op het stapeltje lijken trapten
om te controleren of iedereen dood was, verraadde de oom van Lahir zichzelf niet.
Het zijn slechts een paar getuigenissen van mensen die het nog na kunnen
vertellen. Er zijn later wel pogingen gedaan een reconstructie van het bloedbad
te maken maar plaatselijke ooggetuigen zijn nooit eerder gehoord. Dat blijkt
alleen al uit het feit dat het drama officieel bekend werd onder de noemer 'de
vuurpaniek van Galung Galung'. Maar bij navraag in het dorp Galung Galung, 60
jaar later, verwijzen de bewoners naar 15 kilometer verderop: het bloedbad had
plaats in Galung Lombok! Zestig jaar lang de verkeerde naam, het verkeerde
dorp... De getuigen wijzen niet alleen de exacte geografische locatie aan, maar
kleuren het schrikwekkende beeld dat uit de officiële rapporten opdoemt met nog
gruwelijker details; vermoorde kinderen...daar maakten de rapporten geen
melding van. Het zou, gezien de vastgestelde vergissing in de plaatsnaam, toch
waar kunnen zijn. Misschien weer iets dat 'buiten de boekjes bleef...'.
Officiële rapporten
Tegen instructie en gewoonte in maakte KNIL-majoor J. Stufkens geen rapport
op van wat er gebeurd was op de rijstakker. De gebeurtenissen in Galung Lombok
zijn pas later gereconstrueerd. Maar toen was onderluitenant Vermeulen al lang
weg van Celebes. Hij verliet op 5 februari 1947, dus vlak na het drama in
Galung Lombok, het eiland en ging (op verlof?) naar Java. Westerling beweerde
later dat hij Vermeulen had weggezonden nadat hem de laatste gruwelijkheden ter
ore waren gekomen maar dat is niet zwart op wit vastgelegd. Niets in de
officiële papieren duidt erop dat de gebeurtenissen in Galung Lombok destijds
voor commotie zorgden.
Geruchten van bestuursambtenaren over het optreden van KNIL-militairen (en
dus niet van het Depot Speciale Troepen!) te Paré Paré deden procureur-generaal
Felderhof te Batavia vrezen dat "het plegen van dergelijke excessen
weleens waarheid" zou kunnen zijn. Hij vroeg daarover op 7 februari aan
Veldhuis, de officier van justitie te Makassar, opheldering. Nogmaals, Galung
Lombok was daarbij niet in het geding, het ging om eerdere acties. Terwijl het
antwoord van Veldhuis uitbleef, stroomden meer geruchten bij Felderhof binnen.
Dat had tot gevolg dat Felderhof op 21 februari een vergadering met generaal
Spoor en generaal-majoor Buurman van Vreeden bijeenriep. Opeens gingen de
ontwikkelingen snel: de vergadering besloot het noodrecht, dat juist na het
drama Galung Lombok was toegekend aan alle officieren, in te trekken.
Tegelijkertijd werd kolonel De Vries opgedragen het vertrek van het Depot
Speciale Troepen voor te bereiden. Op 4 maart was het zover: Westerling vertrok
van Zuid-Celebes, uitgewuifd door enkele duizenden inwoners die 'spontaan'naar
de haven waren gekomen.
Inmiddels waren geruchten over het optreden van het Depot Speciale Troepen
tot Nederland doorgedrongen. Er werden kamervragen gesteld. Een
onderzoekscommissie onder leiding van mr. Enthoven moest de kwestie
onderzoeken. Na anderhalf jaar, eind 1948, meldde het eindrapport van de
commissie dat er sprake was van excessen. Zo waren o.a. de gebeurtenissen te
Galung Galung (sic!) volgens de commissie te ernstig om géén strafvervolging in
te stellen. Generaal Spoor en Van Mook waren het hiermee eens en het kabinet in
Den Haag stemde in met een gerechtelijk vooronderzoek. Raadsheer-commissaris
G.L. Paardekooper werd hiermee belast. Dat onderzoek lag in de herfst van 1949
ter tafel, vlak voor de souvereiniteitsoverdracht. Volgens afspraak zouden de
lopende zaken van het Indisch Militair Gerechtshof worden overgedragen aan
Nederland. Maar met het rapport Paardekooper gebeurde dat niet. Waarschijnlijk
omdat het politiek te gevoelig lag. Het rapport kwam niet naar Nederland, de
Nederlandse vertegenwoordiging in Indonesië liet weten dat het "te dik was
om er een afschrift van te maken". Daarop besloot KVP-minister Van
Maarsseveen van verdere vervolging af te zien; zonder dossier was er geen
beginnen aan.
Ondertussen bleef de kamer aandringen en werd een tweede
onderzoekscommissie uitgezonden. De juristen Mr. Van Rij en Mr. Stam kregen de
opdracht volledig verslag uit te brengen van de gebeurtenissen op Celebes ten
tijde van het standrecht. Tijdens hun onderzoek bleek bewijsmateriaal
verdwenen. Toch verzamelden Van Rij en Stam veel getuigenissen en feiten. Pas
in augustus 1954 brachten ze hun vernietigende rapport uit. Vermeulen, Ryborz
en Stufkens waren verantwoordelijk voor misstanden, maar zij niet alleen.
Volgens de juristen konden ook "de burgerlijke autoriteiten, die hun
handelingen goedkeurden, verzwegen, aanmoedigden of door de vingers zagen"
niet buiten schot blijven. Het rapport werd aangeboden aan het derde kabinet
Drees. Eerder al had Drees laten weten niet voor de vervolging van Westerling
te voelen. Zo'n affaire zou, kort na de overdracht, te veel politiek gevoelig
stof doen opwaaien. En hoe zou de ministerraad het kunnen verantwoorden om
Westerling buiten vervolging te stellen en de drie andere mannen wel aan te
klagen?
Zo verdween de hele affaire Celebes in een la. Het rapport Van Rij Stam
werd niet openbaar gemaakt. Pas in 1969, toen een tv-uitzending van Achter het
Nieuws de wandaden in Indonesië oprakelde, kwamen de conclusies van het rapport
naar buiten. De uitzending leidde tot publieke verontwaardiging en een nieuw
onderzoek: de excessennota. Celebes was daarin slechts een klein onderdeel,
want het onderzoek betrof alle wandaden die in het naoorlogse Indonesië onder
Nederlandse verantwoordelijkheid waren gepleegd. Consequenties had de nota
verder ook niet, behalve dat Westerling in de discussie voor velen het symbool
werd van alle excessen die in voormalig Nederlands-Indië hadden plaatsgevonden.
Opnieuw ging de kwestie daarmee in feite in de doofpot.
Tekst: Karin van den Born
Research: Karin van den Born en Maarten Hidskes
Regie en samenstelling: Erik Willems
Research: Karin van den Born en Maarten Hidskes
Regie en samenstelling: Erik Willems
Source:
and
19 januari 2007
VPRO
===============================================
Op Celebes was niemand zijn
leven zeker
Nederland 2, 21.25 uur
Vanavond het tweede deel van het tweeluik over
Zuid-Celebes. De beruchte zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in
Zuid-Celebes, dezer dagen precies zestig jaar geleden, liepen écht uit de hand
toen commandant Raymond Westerling zijn troepen opsplitste. Bij de groep van
ongeveer 60 man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein
van de operaties bestreek, hebben zich zeer ernstige excessen voorgedaan.
Ook komen ooggetuigen en overlevenden in Indonesië
aan het woord, die schokkende verhalen vertellen over het optreden van de
Nederlandse soldaten.
De commando’s onder Westerling waren naar
Zuid-Celebes gestuurd omdat de toestand daar onhoudbaar was. Niemand was zijn
leven meer zeker, plunderende en rovende benden trokken rond en pleegden
allerlei vormen van geweld.
Westerling kreeg van zijn superieuren volmachten om
daar met alle middelen tegen op te treden. Hij koos voor het standrechtelijk
executeren van verdachten, maar na verloop van tijd werd de nauwkeurigheid bij
het onderzoek almaar kleiner. En op het laatst, zo blijkt uit Nederlands
onderzoek en uit ooggetuigeverslagen, liepen de acties uit op regelrechte moordpartijen.
Op 1 februari 1947 zijn zelfs 364 doden gevallen
toen de soldaten in het wilde weg op een menigte mannen begon te schieten.
Volgens Nederlandse rapporten – er zijn twee onderzoekscommissies op pad
gestuurd in begin jaren vijftig – gebeurde dat in het dorpje Galoeng Galoeng. Documentairemaker Erik
Willems van Andere Tijden (de eerste journalist die daar ooit geweest is)
ontdekte dat zij zich in de plaats vergist hadden omdat ze nooit ter plaatse
onderzoek hadden ingesteld: het bleek om de plaats Galoeng Lombok te gaan.
Geen van de betrokken Nederlanders is ooit gestraft
voor deze gebeurtenissen. Westerling is buiten vervolging gesteld omdat hij in
opdracht handelde en tegen enige ondergeschikten is de vervolging begin jaren
vijftig gestaakt.
Source:
geschiedenis 18 januari 2007
===========================================
'Toen een
zware storm over het land trok, was de massamoord geen nieuws meer'
OPINIE - Erik Willems − 09/12/11, 09:27
Niet alleen in Rawagede
hebben Nederlandse soldaten misdrijven begaan, ook in Galung Lombok. Na elke
onthulling bleef het echter oorverdovend stil. Dat stelt filmmaker Erik
Willems.
Deze week krijgen de nabestaanden van het
bloedbad in Rawagede een schadevergoeding en excuses van de Nederlandse
overheid. Daarmee lijkt het boek van de grote oorlogsmisdaden tijdens de
koloniale oorlog gesloten, al borrelen in de nasleep van dit soort pijnlijke
kwesties altijd verhalen op van vergelijkbare affaires die meestal minder
indruk maken. Want zo werkt dat in de publieke opinie: aan één traumatische
gebeurtenis hebben we genoeg. Stel je voor: straks komen er nog claims van
tientallen andere kampongs.
Toch heb ik weet van zo'n
kwestie. Sterker nog: vijf jaar geleden maakte ik voor het
geschiedenisprogramma Andere Tijden er een uitzending over (18 januari 2007,
het laatste deel van mijn tweeluik over de zogenoemde Zuid-Celebesaffaire).
Standrechtelijke executies
Op Zuid-Celebes (het
tegenwoordige Sulawesi) woedde in 1946-'47 een rampzalige guerrillaoorlog. Het
Depot Speciale Troepen (DST) van Raymond Westerling stelde er orde op zaken.
Standrechtelijke executies en het platbranden van kampongs hoorden bij de
methode-Westerling. In drieënhalve maand vielen zo'n vierduizend doden. Die
feiten zijn de afgelopen decennia voldoende bekend geworden. Minder bekend maar
des te gruwelijker was de zuiveringsactie die meteen ook het einde van de
missie inluidde: de vuurpaniek van Galung Galung.
Opvallend genoeg was
Westerling zelf - die uitgroeide tot hét symbool voor alles wat mis was -
hierbij niet aanwezig. Sterker: hij is er zelfs nooit in de buurt geweest. Een
deel van het DST onder tweede man Jan Vermeulen voerde op 1 februari 1947
executies uit in de kampong Galung Lombok. Hier waren op een rijstakker enige
honderden mensen door DST'ers en KNIL-militairen bij elkaar gedreven.
Aanvankelijk hadden de
executies een nog enigszins geordend karakter. Eerst schoot Vermeulen, terzijde
gestaan door drie helpers, een groep van 29 gevangen genomen verzetsstrijders
elk een kogel door het hoofd. Daarna wachtte 16 andere mannen die uit de
gevangenis waren gehaald hetzelfde lot.
De dorpsoudste
Vervolgens werd een al
eerder door Westerling op andere plekken in Zuid-Celebes beproefde methode
toegepast. De dorpsoudste moest 'misdadige elementen' aanwijzen die
onmiddellijk werden geëxecuteerd. Naar de mening van Vermeulen verliep die
selectie echter niet snel genoeg. Hij koos lukraak enkele slachtoffers en
schoot die recht door het voorhoofd. Binnen een uur lagen op de sawa de
lichamen van ruim tweehonderd vermoorde Indonesiërs.
Maar het ergste moest nog
komen. In een naburige kampong bleken drie DST'ers op gruwelijke wijze te zijn
vermoord nadat ze in een hinderlaag waren gelopen. 'Iets met een meid, ze
hadden ook niet zo stom moeten zijn om de kampong binnen te gaan', zo wilde een
van de mannen in 2006 aan mij kwijt.
Vermeulen ging zelf op
onderzoek uit en kwam na een uur terug op de dodenakker. Hij was buiten
zichzelf van woede en maakte sproeibewegingen met zijn vuurwapen en schreeuwde
: 'Allemaal doodmaken'. Binnen luttele minuten lagen op de verzamelplek 364
ontzielde lichamen die haastig in een massagraf werden gedumpt. Degenen die
konden ontkomen, vluchtten de bergen in, waar ze zich dagen doodsbang
schuilhielden.
Vermeulen verliet overhaast
Celebes. Geen van de betrokken militairen is ooit gestraft.
De ultieme doofpot
Ad van Liempt, de toenmalige
eindredacteur van Andere Tijden, die jaren eerder onderzoek deed naar de
kwestie waaraan een deel van het bovenstaande is ontleend, noemde deze affaire
de ultieme doofpot. Niet omdat er nooit iets over was uitgelekt, maar juist
omdat incidenteel gedurende vele jaren stukje bij beetje feiten boven tafel
kwamen die de indruk wekten dat het verhaal genoegzaam bekend was.
Al op 31 januari 1987, bijna
veertig jaar na dato, publiceerde Van Liempt in Vrij Nederland over de kwestie.
Op de cover prijkte de tekst: 'De massamoord van Galoeng Galoeng'. De
onthullingen over de onbestraft gebleven en uit de herinnering verdrongen
oorlogsmisdaad bracht echter geen enkele reactie teweeg. Van Liempt: 'Het bleef
tot mijn eigen verrassing oorverdovend stil'.
Dat kwam niet in de laatste
plaats door de betrokkenen zelf. De mannen van Westerling hielden jarenlang de
lippen stijf op elkaar - een soort omerta, de zwijgplicht van kameraden
tegenover een buitenwereld die het toch nooit zal begrijpen. En kennelijk is
dat aardig gelukt. Zelfs de plaats van het delict is in later onderzoek verward
met de ruim 10 kilometer verderop gelegen kampong Galung Galung, zo merkte ik
toen ik in 2003 voor het eerst in de regio kwam. Een vreemde ervaring te horen
dat ik de eerste Nederlander was die wilde komen uitzoeken wat er gebeurd was.
Het maakte mij volhardend om het verhaal voor Andere Tijden te vertellen.
Op 18 januari was het zover,
bijna zestig jaar na iets waar geen ander woord voor te bedenken is dan
oorlogsmisdaad. Het NOS Journaal zou er aandacht aan besteden. Maar op die
namiddag trok een zeer zware storm over Nederland die het journaal vulde. En
daarmee was de wrede moordpartij in Galung Lombok weer geen nieuws.
Erik Willems is filmmaker.
Hij werkt ondermeer voor Andere Tijden.
Source:
Subscribe to:
Posts (Atom)


