Sunday, May 19, 2013

The Galung Lombok Massacre. Dutch sources


Galung Lombok

Het Depot Speciale Troepen onder leiding van Vermeulen was na de actie in Soeppa nog niet klaar. Een paar dagen later, op dinsdag 1 februari 1947, vond het grootste drama plaats. Het was vroeg in de ochtend en nog donker toen Nederlandse militairen enkele dorpen in de buurt van Madjene in het noordelijke deel van Zuid-Celebes uitkamden. Volgens de inlichtingendienst zouden opstandige nationalisten die dag Madjene aanvallen. Zoals gebruikelijk werden eerst alle bewoners uit hun huizen gehaald en bijeengedreven op een drooggevallen rijstakker. Daar dreunde Vermeulen de namen op van negenentwintig mannen die eerder al waren opgepakt, maar weer waren vrijgelaten. Voor hem stond het vast: dit waren terroristen - om de eenvoudige reden dat ze bij hun aanhouding in het bezit bleken van papieren met het zegel van de verzetsorganisatie Angkatan Laoet Republik Indonesia. Daarmee stond ook hun straf vast: de kogel.

De onderluitenant wees drie helpers aan en met z'n vieren schoten ze de negenentwintig ieder een kogel door het hoofd. De 'zuivering' (zoals Vermeulen het zelf noemde) was begonnen. Vervolgens liet hij zestien mannen apart zetten. Alle zestien waren gevangenen, die met maar één bedoeling uit gevangenis waren gehaald en naar deze plek gebracht: om te worden doodgeschoten. Na deze executie begon pas de eigenlijke zuivering. Aan de dorpsoudste vroeg Vermeulen of er misdadigers onder de bijeengedreven dorpelingen waren. Ook zij werden doodgeschoten. Weigerde de dorpsoudste iets te zeggen, dan werden er willekeurige slachtoffers gekozen. Kapitein Ryborz van het KNIL assisteerde bij de executies. Binnen een uur werden ruim tweehonderd Indonesiërs vermoord. De rijstakker werd een dodenakker.

Nog tijdens de executies vernam Vermeulen dat een paar kampongs verderop mogelijk een patrouille van het Depot was aangevallen. Drie Nederlandse militairen van de Speciale Troepen zouden zijn gedood. Vermeulen ging direct op onderzoek uit. In de tussentijd gaf commandant Stufkens aan Ryborz de opdracht door te gaan met de executies. Nog eens dertig doden. Van Groenendaal, die zelf niet bij deze acties aanwezig was maar met Westerling elders op Celebes zat, hoorde later van zijn maten wat er met de DST'ers was gebeurd. "Die drie hebben zich laten verleiden door een meid! Ze waren op patrouille en in de berm van de weg aan het uitrusten. En toen kwam er een mooie meid en die verzocht ze mee in de kampong te gaan. Ze waren zo dom om dat te doen en zijn gelijk in de pan gehakt! Ze hebben ze naderhand gepontomd - in mootjes gehakt - teruggevonden." Hoe Vermeulen zijn mannen precies heeft aangetroffen, is niet duidelijk. Maar het zal behoorlijk akelig geweest zijn. Volgens een plaatselijke getuige had de guerrilla de militairen aan de kant van de weg in een boom gehangen met afgesneden penis in de mond. Bij terugkomt was Vermeulen in ieder geval woedend.

De wraak van Vermeulen

Uit wraak liet Vermeulen de mannen die uit dezelfde kampong afkomstig waren als de overvallers apart zetten. Wat volgde, had alles van een wilde schietpartij. Na enkele verschrikkelijke minuten waarin gericht gevuurd werd op de wanordelijke groep kampongbewoners kwam majoor Stufkens uit de bosjes waar hij, naar hij later beweerde, 'zijn behoefte' deed, en stopte de vuurpartij. Van de 115 mannen uit Segeri lagen er vijfenzeventig dood op de grond. Van de inwoners van Tahlolo bleken er zestig vermoord. De anderen, minder dan de helft, slaagden erin aan het vuur te ontkomen. Op de rijstakker lagen ook nog de lichamen van de mannen die vroeger in de ochtend waren gefussilleerd. In totaal bleken er die dag 364 doden te zijn. De lichamen werden in een massagraf geworpen. Daarna werden verschillende kampongs in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt.

Volgens latere verklaringen van Vermeulen vluchtten de mannen en werd daarna pas het vuur geopend. Maar volgens een oude blinde man in Galung Lombok ging het precies andersom: "Ze brachten alle mensen naar dit dorp en ze begonnen op iedereen te schieten. Toen ze begonnen te schieten, probeerde ik met tien andere mensen weg te lopen. We liepen zigzag, maar negen werden vermoord, alleen ik kon zigzaggend wegkomen. Er werden ook kinderen vermoord. Dat was per ongeluk...ze stonden ernaast." Een andere plaatselijke getuige, B. Lahir, vertelt: "Ze brachten alle mensen naar Galung Lombok, ook vrouwen en kinderen. Ze selecteerden de mensen die uit Segeri kwamen. En alle mensen uit Segeri werden vermoord." Onder de slachtoffers was ook de vader van Lahir. Hijzelf zat, als klein kind, op dat moment op de rug van zijn vader maar werd nog net door zijn oma gered. "Ze duwden m'n vader een geweerloop in de mond." De oom van Lahir kon zichzelf redden door onder de lijken te kruipen, bloed op zijn gezicht te smeren en te doen of hij dood was. Zelfs toen de Nederlandse militairen nog eens op het stapeltje lijken trapten om te controleren of iedereen dood was, verraadde de oom van Lahir zichzelf niet.

Het zijn slechts een paar getuigenissen van mensen die het nog na kunnen vertellen. Er zijn later wel pogingen gedaan een reconstructie van het bloedbad te maken maar plaatselijke ooggetuigen zijn nooit eerder gehoord. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het drama officieel bekend werd onder de noemer 'de vuurpaniek van Galung Galung'. Maar bij navraag in het dorp Galung Galung, 60 jaar later, verwijzen de bewoners naar 15 kilometer verderop: het bloedbad had plaats in Galung Lombok! Zestig jaar lang de verkeerde naam, het verkeerde dorp... De getuigen wijzen niet alleen de exacte geografische locatie aan, maar kleuren het schrikwekkende beeld dat uit de officiële rapporten opdoemt met nog gruwelijker details; vermoorde kinderen...daar maakten de rapporten geen melding van. Het zou, gezien de vastgestelde vergissing in de plaatsnaam, toch waar kunnen zijn. Misschien weer iets dat 'buiten de boekjes bleef...'.



********

Source: 


-----------------------------------------------------------


Officiële rapporten

Tegen instructie en gewoonte in maakte KNIL-majoor J. Stufkens geen rapport op van wat er gebeurd was op de rijstakker. De gebeurtenissen in Galung Lombok zijn pas later gereconstrueerd. Maar toen was onderluitenant Vermeulen al lang weg van Celebes. Hij verliet op 5 februari 1947, dus vlak na het drama in Galung Lombok, het eiland en ging (op verlof?) naar Java. Westerling beweerde later dat hij Vermeulen had weggezonden nadat hem de laatste gruwelijkheden ter ore waren gekomen maar dat is niet zwart op wit vastgelegd. Niets in de officiële papieren duidt erop dat de gebeurtenissen in Galung Lombok destijds voor commotie zorgden.

Geruchten van bestuursambtenaren over het optreden van KNIL-militairen (en dus niet van het Depot Speciale Troepen!) te Paré Paré deden procureur-generaal Felderhof te Batavia vrezen dat "het plegen van dergelijke excessen weleens waarheid" zou kunnen zijn. Hij vroeg daarover op 7 februari aan Veldhuis, de officier van justitie te Makassar, opheldering. Nogmaals, Galung Lombok was daarbij niet in het geding, het ging om eerdere acties. Terwijl het antwoord van Veldhuis uitbleef, stroomden meer geruchten bij Felderhof binnen. Dat had tot gevolg dat Felderhof op 21 februari een vergadering met generaal Spoor en generaal-majoor Buurman van Vreeden bijeenriep. Opeens gingen de ontwikkelingen snel: de vergadering besloot het noodrecht, dat juist na het drama Galung Lombok was toegekend aan alle officieren, in te trekken. Tegelijkertijd werd kolonel De Vries opgedragen het vertrek van het Depot Speciale Troepen voor te bereiden. Op 4 maart was het zover: Westerling vertrok van Zuid-Celebes, uitgewuifd door enkele duizenden inwoners die 'spontaan'naar de haven waren gekomen.

Inmiddels waren geruchten over het optreden van het Depot Speciale Troepen tot Nederland doorgedrongen. Er werden kamervragen gesteld. Een onderzoekscommissie onder leiding van mr. Enthoven moest de kwestie onderzoeken. Na anderhalf jaar, eind 1948, meldde het eindrapport van de commissie dat er sprake was van excessen. Zo waren o.a. de gebeurtenissen te Galung Galung (sic!) volgens de commissie te ernstig om géén strafvervolging in te stellen. Generaal Spoor en Van Mook waren het hiermee eens en het kabinet in Den Haag stemde in met een gerechtelijk vooronderzoek. Raadsheer-commissaris G.L. Paardekooper werd hiermee belast. Dat onderzoek lag in de herfst van 1949 ter tafel, vlak voor de souvereiniteitsoverdracht. Volgens afspraak zouden de lopende zaken van het Indisch Militair Gerechtshof worden overgedragen aan Nederland. Maar met het rapport Paardekooper gebeurde dat niet. Waarschijnlijk omdat het politiek te gevoelig lag. Het rapport kwam niet naar Nederland, de Nederlandse vertegenwoordiging in Indonesië liet weten dat het "te dik was om er een afschrift van te maken". Daarop besloot KVP-minister Van Maarsseveen van verdere vervolging af te zien; zonder dossier was er geen beginnen aan.

Ondertussen bleef de kamer aandringen en werd een tweede onderzoekscommissie uitgezonden. De juristen Mr. Van Rij en Mr. Stam kregen de opdracht volledig verslag uit te brengen van de gebeurtenissen op Celebes ten tijde van het standrecht. Tijdens hun onderzoek bleek bewijsmateriaal verdwenen. Toch verzamelden Van Rij en Stam veel getuigenissen en feiten. Pas in augustus 1954 brachten ze hun vernietigende rapport uit. Vermeulen, Ryborz en Stufkens waren verantwoordelijk voor misstanden, maar zij niet alleen. Volgens de juristen konden ook "de burgerlijke autoriteiten, die hun handelingen goedkeurden, verzwegen, aanmoedigden of door de vingers zagen" niet buiten schot blijven. Het rapport werd aangeboden aan het derde kabinet Drees. Eerder al had Drees laten weten niet voor de vervolging van Westerling te voelen. Zo'n affaire zou, kort na de overdracht, te veel politiek gevoelig stof doen opwaaien. En hoe zou de ministerraad het kunnen verantwoorden om Westerling buiten vervolging te stellen en de drie andere mannen wel aan te klagen?

Zo verdween de hele affaire Celebes in een la. Het rapport Van Rij Stam werd niet openbaar gemaakt. Pas in 1969, toen een tv-uitzending van Achter het Nieuws de wandaden in Indonesië oprakelde, kwamen de conclusies van het rapport naar buiten. De uitzending leidde tot publieke verontwaardiging en een nieuw onderzoek: de excessennota. Celebes was daarin slechts een klein onderdeel, want het onderzoek betrof alle wandaden die in het naoorlogse Indonesië onder Nederlandse verantwoordelijkheid waren gepleegd. Consequenties had de nota verder ook niet, behalve dat Westerling in de discussie voor velen het symbool werd van alle excessen die in voormalig Nederlands-Indië hadden plaatsgevonden. Opnieuw ging de kwestie daarmee in feite in de doofpot.

Tekst: Karin van den Born

Research: Karin van den Born en Maarten Hidskes

Regie en samenstelling: Erik Willems


********

Source: 


======================================================

geschiedenis 18 januari 2007

Op Celebes was niemand zijn leven zeker

Nederland 2, 21.25 uur

Vanavond het tweede deel van het tweeluik over Zuid-Celebes. De beruchte zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in Zuid-Celebes, dezer dagen precies zestig jaar geleden, liepen écht uit de hand toen commandant Raymond Westerling zijn troepen opsplitste. Bij de groep van ongeveer 60 man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, hebben zich zeer ernstige excessen voorgedaan.

Ook komen ooggetuigen en overlevenden in Indonesië aan het woord, die schokkende verhalen vertellen over het optreden van de Nederlandse soldaten.

De commando’s onder Westerling waren naar Zuid-Celebes gestuurd omdat de toestand daar onhoudbaar was. Niemand was zijn leven meer zeker, plunderende en rovende benden trokken rond en pleegden allerlei vormen van geweld.

Westerling kreeg van zijn superieuren volmachten om daar met alle middelen tegen op te treden. Hij koos voor het standrechtelijk executeren van verdachten, maar na verloop van tijd werd de nauwkeurigheid bij het onderzoek almaar kleiner. En op het laatst, zo blijkt uit Nederlands onderzoek en uit ooggetuigeverslagen, liepen de acties uit op regelrechte moordpartijen.

Op 1 februari 1947 zijn zelfs 364 doden gevallen toen de soldaten in het wilde weg op een menigte mannen begon te schieten. Volgens Nederlandse rapporten – er zijn twee onderzoekscommissies op pad gestuurd in begin jaren vijftig – gebeurde dat in het dorpje Galoeng Galoeng. Documentairemaker Erik Willems van Andere Tijden (de eerste journalist die daar ooit geweest is) ontdekte dat zij zich in de plaats vergist hadden omdat ze nooit ter plaatse onderzoek hadden ingesteld: het bleek om de plaats Galoeng Lombok te gaan.

Geen van de betrokken Nederlanders is ooit gestraft voor deze gebeurtenissen. Westerling is buiten vervolging gesteld omdat hij in opdracht handelde en tegen enige ondergeschikten is de vervolging begin jaren vijftig gestaakt.



Source:





********

Wednesday, March 20, 2013

Uti possidetis - uti possidetis juris


Uti possidetis

Uti possidetis (Latin for "as you possess") is a principle in international law that territory and other property remains with its possessor at the end of a conflict, unless otherwise provided for by treaty; if such a treaty doesn't include conditions regarding the possession of property and territory taken during the war, then the principle of uti possidetis will prevail.[1] Originating in Roman law, the phrase is derived from the Latin expression uti possidetis, ita possideatis, meaning "may you continue to possess such as you do possess" (lit., "as you possess, thus may you possess"). This principle enables a belligerent party to claim territory that it has acquired by war.

In the early 17th century, the term was used by England's James I to state that while he recognized the existence of Spanish authority in those regions of the Western Hemisphere where Spain exercised effective control, he refused to recognize Spanish claims to exclusive possession of all territory west of longitude 46° 37' W under the Treaty of Tordesillas.

More recently, the principle has been used in a modified form (see Uti possidetis juris) to establish the frontiers of newly independent states following decolonization, by ensuring that the frontiers followed the original boundaries of the old colonial territories from which they emerged. This use originated in South America in the 19th century with the withdrawal of the Spanish Empire.[2] By declaring that uti possidetis applied, the new states sought to ensure that there was no terra nullius in South America when the Spanish withdrew and to reduce the likelihood of border wars between the newly independent states and the establishment of new European colonies.

The same principle was applied to Africa and Asia following the withdrawal of European powers from those continents, and in locations such as the former Yugoslavia and the Soviet Union where former centralized governments fell, and constituent states gained independence. In 1964 the Organisation of African Unity passed a resolution stating that the principle of stability of borders—the key principle of uti possidetis—would be applied across Africa. Most of Africa was already independent by this time, so the resolution was principally a political directive to settle disputes by treaty based on pre-existing borders rather than by resorting to force. To date, adherence to this principle has allowed African countries to avoid border wars; the notable exception, the Eritrean–Ethiopian War of 1998–2000, had its roots in a secession from an independent African country rather than a conflict between two decolonized neighbours.[citation needed] On the other hand, the colonial boundaries often did not follow ethnic lines, and this has helped lead to violent and bloody civil wars among differing ethnic groups in many post-colonial (and post-Communist) countries, including Sudan, the Democratic Republic of the Congo, Angola, Nigeria, Uganda, Georgia, Azerbaijan, Moldova and the former Yugoslavia.[3]

The principle was affirmed by the International Court of Justice in the 1986 Case Burkina-Faso v Mali:
[Uti possidetis] is a general principle, which is logically connected with the phenomenon of obtaining independence, wherever it occurs. Its obvious purpose is to prevent the independence and stability of new states being endangered by fratricidal struggles provoked by the changing of frontiers following the withdrawal of the administering power.





===================================================


uti possidetis juris

uti possidetis juris (UPJ) is a principle of customary international law that serves to preserve the boundaries of colonies emerging as States.  Originally applied to establish the boundaries of decolonized territories in Latin America, UPJ has become a rule of wider application, notably in Africa.  The policy behind the principle has been explained by the International Court of Justice in the Frontier Dispute (Burkina Faso/Mali)

Case:
[UPJ is a] general principle, which is logically connected with the phenomenon of the obtaining of independence, wherever it occurs. It's obvious purpose is to prevent the independence and stability of new States being endangered by fratricidal struggles provoked by the challenging of frontiers following the withdrawal of the administering power…Its purpose, at the time of the achievement of independence by the former Spanish colonies of America, was to scotch any designs which non-American colonizing powers might have on regions which had been assigned by the former metropolitan State to one division or another, but which were still uninhabited or unexplored.

Case Concerning the Frontier Dispute (Burkina Faso/Republic of Mali), ICJ Judgment, 22 December 1986,



        ********

=====================================


Max Planck Institute
for Comparative Public Law
and International Law


II.         Substantive International Law - Second Part
1.         TERRITORY OF STATES
1.2.      Boundaries
1.2.4.  Principle of "uti possidetis"


Frontier Dispute, Judgment
 (Burkina Faso/Republic of Mali)
 I.C.J. Reports 1986, p. 554

[pp. 565-567] Since the two Parties have, as noted above, expressly requested the Chamber to resolve their dispute on the basis, in particular, of the "principle of the intangibility of frontiers inherited from colonization", the Chamber cannot disregard the principle of uti possidetis juris, the application of which gives rise to this respect for intangibility of frontiers. Although there is no need, for the purposes of the present case, to show that this is a firmly established principle of international law where decolonization is concerned, the Chamber nonetheless wishes to emphasize its general scope, in view of its exceptional importance for the African continent and for the two Parties. In this connection it should be noted that the principle of uti possidetis seems to have been first invoked and applied in Spanish America, inasmuch as this was the continent which first witnessed the phenomenon of decolonization involving the formation of a number of sovereign States on territory formerly belonging to a single metropolitan State. Nevertheless the principle is not a special rule which pertains solely to one specific system of international law. It is a general principle, which is logically connected with the phenomenon of the obtaining of independence, wherever it occurs. Its obvious purpose is to prevent the independence and stability of new States being endangered by fratricidal struggles provoked by the challenging of frontiers following the withdrawal of the administering power.

 It was for this reason that, as soon as the phenomenon of decolonization characteristic of the situation in Spanish America in the 19th century subsequently appeared in Africa in the 20th century, the principle of uti possidetis, in the sense described above, fell to be applied. The fact that the new African States have respected the administrative boundaries and frontiers established by the colonial powers must be seen not as a mere practice contributing to the gradual emergence of a principle of customary international law, limited in its impact to the African continent as it had previously been to Spanish America, but as the application in Africa of a rule of general scope.

 The elements of uti possidetis were latent in the many declarations made by African leaders in the dawn of independence. These declarations confirmed the maintenance of the territorial status quo at the time of independence, and stated the principle of respect both for the frontiers deriving from international agreements, and for those resulting from mere internal administrative divisions. The Charter of the Organization of African Unity did not ignore the principle of uti possidetis, but made only indirect reference to it in Article 3, according to which member States solemnly affirm the principle of respect for the sovereignty and territorial integrity of every State. However, at their first summit conference after the creation of the Organization of African Unity, the African Heads of State, in their Resolution mentioned above (AGH/ Res. 16 (I)), adopted in Cairo in July 1964, deliberately defined and stressed the principle of uti possidetis juris contained only in an implicit sense in the Charter of their organization.

 There are several different aspects to this principle, in its well-known application in Spanish America. The first aspect, emphasized by the Latin genitive juris, is found in the pre-eminence accorded to legal title over effective possession as a basis of sovereignty. Its purpose, at the time of the achievement of independence by the former Spanish colonies of America, was to scotch any designs which non-American colonizing powers might have on regions which had been assigned by the former metropolitan State to one division or another, but which were still uninhabited or unexplored. However, there is more to the principle of uti possidetis than this particular aspect. The essence of the principle lies in its primary aim of securing respect for the territorial boundaries at the moment when independence is achieved. Such territorial boundaries might be no more than delimitations between different administrative divisions or colonies all subject to the same sovereign. In that case, the application of the principle of uti possidetis resulted in administrative boundaries being transformed into international frontiers in the full sense of the term. This is true both of the States which took shape in the regions of South America which were dependent on the Spanish Crown, and of the States Parties to the present case, which took shape within the vast territories of French West Africa. Uti possidetis, as a principle which upgraded former administrative delimitations, established during the colonial period, to international frontiers, is therefore a principle of a general kind which is logically connected with this form of decolonization wherever it occurs.

 The territorial boundaries which have to be respected may also derive from international frontiers which previously divided a colony of one State from a colony of another, or indeed a colonial territory from the territory of an independent State, or one which was under protectorate, but had retained its international personality. There is no doubt that the obligation to respect pre-existing international frontiers in the event of a State succession derives from a general rule of international law, whether or not the rule is expressed in the formula uti possidetis. Hence the numerous solemn affirmations of the intangibility of the frontiers existing at the time of the independence of African States, whether made by senior African statesmen or by organs of the Organization of African Unity itself are evidently declaratory rather than constitutive: they recognize and confirm an existing principle, and do not seek to consecrate a new principle or the extension to Africa of a rule previously applied only in another continent.

 However, it may be wondered how the time-hallowed principle has been able to withstand the new approaches to international law as expressed in Africa, where the successive attainment of independence and the emergence of new States have been accompanied by a certain questioning of traditional international law. At first sight this principle conflicts outright with another one, the right of peoples to self-determination. In fact, however, the maintenance of the territorial status quo in Africa is often seen as the wisest course, to preserve what has been achieved by peoples who have struggled for their independence, and to avoid a disruption which would deprive the continent of the gains achieved by much sacrifice. The essential requirement of stability in order to survive, to develop and gradually to consolidate their independence in all fields, has induced African States judiciously to consent to the respecting of colonial frontiers, and to take account of it in the interpretation of the principle of self-determination of peoples.

 Thus the principle of uti possidetis has kept its place among the most important legal principles, despite the apparent contradiction which explained its coexistence alongside the new norms. Indeed it was by deliberate choice that African States selected, among all the classic principles, that of uti possidetis. This remains an undeniable fact. In the light of the foregoing remarks, it is clear that the applicability of uti possidetis in the present case cannot be challenged merely because in 1960, the year when Mali and Burkina Faso achieved independence, the Organization of African Unity which was to proclaim this principle did not yet exist, and the above-mentioned resolution calling for respect for the preexisting frontiers dates only from 1964.

[p. 568] By becoming independent, a new State acquires sovereignty with the territorial base and boundaries left to it by the colonial power. This is part of the ordinary operation of the machinery of State succession. International law - and consequently the principle of uti possidetis - applies to the new State (as a State) not with retroactive effect, but immediately and from that moment onwards. It applies to the State as it is, i.e., to the "photograph" of the territorial situation then existing. The principle of uti possidetis freezes the territorial title; it stops the clock, but does not put back the hands. Hence international law does not effect any renvoi to the law established by the colonizing State, nor indeed to any legal rule unilaterally established by any State whatever; French law - especially legislation enacted by France for its colonies and territoires d'outre-mer - may play a role not in itself (as if there were a sort of continuum juris, a legal relay between such law and international law), but only as one factual element among others, or as evidence indicative of what has been called the "colonial heritage", i.e., the "photograph of the territory" at the critical date.

[pp. 586-587] Apart from the texts and maps listed above, the Parties have invoked in support of their respective contentions the "colonial effectivités", in other words, the conduct of the administrative authorities as proof of the effective exercise of territorial jurisdiction in the region during the colonial period. For Burkina Faso, the effectivités can support an existing title, whether written or cartographical, but when their probative value has to be assessed they must be systematically compared with the title in question; in no circumstances can they be substituted for the title. For its part, Mali admits that in principle the effectivités cannot be brought into operation where they are contrary to the text of a treaty, but argues that in a situation where there is no boundary described in conventional or legislative form, it is necessary to ascertain the boundary by other methods, and an investigation of the effectivités then becomes essential. The role played in this case by such effectivités is complex, and the Chamber will have to weigh carefully the legal force of these in each particular instance. It must however state forthwith, in general terms, what legal relationship exists between such acts and the titles on which the implementation of the principle of uti possidetis is grounded. For this purpose, a distinction must be drawn among several eventualities. Where the act corresponds exactly to law, where effective administration is additional to the uti possidetis juris, the only role of effectivité is to confirm the exercise of the right derived from a legal title. Where the act does not correspond to the law, where the territory which is the subject of the dispute is effectively administered by a State other than the one possessing the legal title, preference should be given to the holder of the title. In the event that the effectivité does not co-exist with any legal title, it must invariably be taken into consideration. Finally, there are cases where the legal title is not capable of showing exactly the territorial expanse to which it relates. The effectivités can then play an essential role in showing how the title is interpreted in practice.

 [pp. 661-662 S.O. Abi-Saab] The purpose of this frantic search for a "written legal title", turning anything and everything into account, is to satisfy a particular conception of the uti possidetis principle.
 However, this principle, like any other, is not to be conceived in the absolute; it has always to be interpreted in the light of its function within the international legal order.
 At first sight, it may indeed seem paradoxical that peoples that have struggled for their independence should set so much store by their "colonial heritage". At the beginning, however, at the time when the Latin American countries were achieving independence, the principle of uti possidetis was formulated to serve a dual purpose: first, a defensive purpose towards the rest of the world, in the form of an outright denial that there was any land without a sovereign (or terra nullius) in the decolonized territories, even in unexplored areas or those beyond the control of the colonizers; secondly, a preventive purpose: to avoid or at least to minimize conflict occurring in the relationships among the successors, by freezing the carved-up territory in the format it exhibited at the moment of independence.

 These two objectives therefore postulate the existence of a boundary, an impermeable territorial division, at the moment of independence. This hypothesis can only be factually verified in each case if a boundary is taken to mean a "line" in the geometric sense of the word. Otherwise it will be the inevitable fate of the principle of uti possidetis to operate as a mere fiction that jars with reality.

 This is because a minimum of two points will always suffice for the definition of a line if one starts from the geometric concept of a "line" as "generated by the motion of a point" (Encyclopaedia Britannica, 11th ed.). In this sense there would always be a line to satisfy the logical requirements for the functioning of the uti possidetis principle. But if one starts from the common idea of a line as a concrete trace every point on which is specifically identifiable, it is far from likely that the postulate could be shown as realized in every instance.
 By proceeding from the geometric concept of a line, which is alone capable of reconciling the principle of uti possidetis with the facts, we can state that there is always a line which defines the outer limit of lawful possession. But the scope of a court's role in identifying that line will vary inversely to the extent of its having taken concrete shape. The fewer the points (or points of reference) involved in its definition, the greater the court's "degrees of freedom" (in the statistical sense). And it is here that considerations of equity infra legem (mentioned in paragraph 28 of the Judgment) come into play, to guide the court in the exercise of this freedom when interpreting and applying the law and the legal titles involved.




         ********



Wednesday, February 13, 2013

Dutch Foreign Minister: Indonesia’s Independence December 1949


Dutch Minister for Foreign Affairs, Bernard Rudolf (Ben) Bot said in Jakarta, that  Indonesia’s independence was December 1949.


Interview Ben Bot in Jakarta, August 18, 2005.


--------------------------------------------------


Transcript of the statement of Ben Bot in The Hague, August 15, 2005: Now (2005) Dutch Government ACCEPT de facto Indonesian Independence August 17, 1945.

Ben Bot. Toespraak ter gelegenheid van de 15 augustus-herdenking bij het Indië-monument:

---------------------------------------------------------

Transcript of the statement of Ben Bot in Jakarta, August 16, 2005: Now (2005) Dutch Government expresses the political and moral ACCEPTANCE of the August 17, 1945 proclamation.

Speech by Minister Bot On the 60th anniversary of the Republic of Indonesia’s independence declaration:






Thursday, January 24, 2013

Pressemitteilung: Gedenken an das Galung Lombok Massaker



THE COMMITTEE OF DUTCH HONORARY DEBTS

PRESSEMITTEILUNG

 Das Galung Lombok Massaker 
Gedenken 2013

Zum Gedenken an das Verbrechen gegen die Menschlichkeit, wird das Volk vom Mandar, West Sulawesi einen Kongress des Volkes vom Mandar, West Sulawesi veranstalten.

Der Kongress wird am Samstag, den 2. Februar, im Assmmalewuang Bulding, Jalan Gatot Subroto (Gatot Subroto Strasse), Mandar, West Sulawesi stattfinden.

Der Governeur der West Sulawesi Provinz, H. Anwar Adnan Shaleh wird den Kongress eröffnen.

Hauptspreche:  
Salim Mengga, Mitglied des indonesischen Parlaments 

Sprecher:
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Vorsitzender  des West Sulawesi Parlaments
2. Brig. Gen. (a.D.) H. Jawas Jusuf, Sohn eines Opfers des Massakers.
3. Prof. DR. Edward   L. Poelinggomang, Historiker an der Hassanuddin Universität, Makassar.
4. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Vorsitzender des Rates des Committee of Dutch Honorary Debts.
5. H. Zainuddin, Augenzeuge.
6. Batara R. Hutagalung, Vorsitzender des Committee of Dutch Honorary Debts.

Zum ersten Mal eine Rekonstruktion des Massakers an mehr als 700 Menschen wird am Sontag, den 3. Februar 2013 an dem Monument im Dorf Galung Lombok veranstaltet.

Mehr als ein Tausend Menschen aus West Sulawesi werden daran teilnehmen.

Der niederländische Botschafter für Indonesien, SE Tjeerd de Zwan auch zu den beiden Veranstaltungen eingeladen.

Mit freundlichen Gruessen,

Batara R. Hutagalung
Vorsitzender des Committee of Dutch Honorary Debts

===================================


Die Vorgeschichte:
Am 1. Februar  1947 im Dorf Galung Lombok, Distrikt Polewali Mandar, West Sulawesi, Indonesien, haben die niederländische Soldaten der Eliteeinheit  Depot Speciale Troepen mehr als 700 bewohner aus den umliegenden Dörfern massakriert. Standrechtlich erschossen.

Keine der verantwortlichen Offiziere und Soldaten wurden jemals angeklagt.
Die Namensliste der Opfer, siehe (auf englisch):

Was in den ehemaligen Kolonien –wie in Indonesien- nach Ende des zweiten Weltkrieges passierte, hat  die Weltgeschichte sehr wenig geschrieben. Die Weltgeschichte hat die Grausamkeiten die zwischen 1945 – 1950 in Indonesien passierten, nicht geschrieben.
Nachdem Indonesien am 17. August 1945 die Unabhängigkeit ausrufte, versuchten die Niederländer –mit Hilfe von drei britschen Divisionen unter Befehl des Generalleutnants Phillip Christison und zwei australischen Divisionen unter Befehl des Generalleutnants Leslie “Ming the Merciless” Morsehead- Indonesien wieder zu kolonisieren.

Im November 1945, bombardierten die Briten die Stadt Surabaya. Schätzungsweise mehr als 20.000 Einwohnern der Stadt wurden getötet. Darunter auch Frauen und Kinder.

Während der niederländischen militärischen Aggression zwischen 1945 - 1950, wurden schätzungsweise 800.000 bis eine Million Menschen getötet. Zum grössten Teil waren Zivilisten (Non-combatant). Darunter auch Fraun und Kinder. Tausenden wurden grausam massakriert oder zu Tode gefoltert. Vor den Augen ihrer Familien wurden sie ohne jede juristische Anklage oder Urteil, standrechtlich erschossen. Indonesische Frauen wurden von niederländischen Offizieren und Soldaten vergewaltigt.

Über die Greultaten der niederländischen Soldaten in Indonesien, siehe einige Artikel:
  1. NIEDERLAENDISCES KRIEGSVERBRECHEN: GEHEN SIE BETEN.
Quelle: DER SPIEGEL 07/1969 vom 10.02.1969, Seite 113
  
  1. RAWAGEDEH. Verleugnetes Erbe. Von Joke van Kampen:
Quelle: DIE ZEIT, 34/1995

  1. Einige Artikel auf holländisch
Bloedbad in Galung Lombok

  1. The Rawagede Tragedy
On December 9, 1947 Dutch soldiers massacred 431 villagers in the village of Rawagede, West Java.

  =======================================

Galung Lombok Monument

Massengrab

Massengrab

Tochter eines Opfers zeigt das Grab ihres Vaters

Sohn eines Opfers am Grab seines Vaters

Vor dem Wall mit den Namen der Opfer

Mit der Witwe (91 Jahre) eines Opfers und zwei Augenzeugen

Mit Fatani Thayeb, einem Augenzeuge (104 Jahre)


Tuesday, January 22, 2013

Harry van Bommel: Verzoening


On October 19, 2008, in the lounge of JW.Marriott hotel Jakarta, three  members of the Dutch parliament (Tweede Kamer), Harry van Bommel (SP), Joel Voordewind (ChristenUnie) and Harm E. Waalkens (PvdA) met two widows, Mrs Wanti and Mrs Wisah, as well as Mr. Sa’ih, last survivor of the massacre in Rawagede. 

The two widows and Mr. Sa’ih and also the families of the victims in Rawagede were willing to give forgiveness. But whom should forgiveness be given if nobody apologizes? They also invited the Dutch veterans who were involved at the massacre in Rawagede on December 9, 1947, to come to Rawagede for a reconciliation (verzoening. See article from Harry van Bommel below).

But until today, 2013, there is no response from the veterans, and according to Harry van Bommel, the Ducth government at that time refused to facilitate the verzoening.

Mr. Sa'ih died on May  2011.

About the reconciliation, see the Committee of Dutch Honorary Debts:

========================================

22 OKTOBER 2008
Column

Harry van Bommel:

Verzoening

Vlak voor het einde van mijn werkbezoek aan Indonesië kon ik spreken met drie slachtoffers van Nederlandse oorlogsmisdaden die plaatshadden op 9 december 1947 in Rawagede. Een officieel gesprek van de delegatie zat er niet in. Een meerderheid wilde dat om verschillende redenen niet. Op zondag was het formele gedeelte van de reis voorbij en kon ik samen met leden van de PvdA en de ChristenUnie toch nog een gesprek voeren. De slachtoffers kwamen daarvoor naar Jakarta.



Mijnheer Sa'ih is 86 jaar oud en de enige overlevende. Alle andere mannen en jongens in het dorp, in totaal ruim 430, werden doodgeschoten door Nederlandse dienstplichtige infanteristen. De twee oude dames die Sa'ih vergezellen, zijn weduwen van geëxecuteerden. Het gesprek ging vooral over verzoening. Deze slachtoffers van Nederlands geweld kunnen de grootsheid opbrengen om tot verzoening te komen met de Nederlandse militairen die dus feitelijk oorlogsmisdaden hebben begaan. Dat is uitzonderlijk.

Elk jaar wordt op 9 december de moordpartij ter plekke herdacht. In 2005 erkende toenmalig minister Bot dat Nederland “aan de verkeerde kant van de geschiedenis” had gestaan in de koloniale oorlog. Vorig jaar was er voor het eerst iemand van de ambassade bij de herdenking en dit jaar was er dus een ontmoeting met Kamerleden. De nu naar veteranen uitgestoken hand mag wat mij betreft niet worden geweigerd. Ik denk dat er ook wel veteranen zullen zijn die deze verzoening wensen. Laat de regering hun tocht naar de herdenking mogelijk maken en begeleiden! Deze inmiddels oude mannen dragen een loden last met zich mee die voortkwam uit foute beslissingen die in politiek Den Haag werden genomen en waar nooit volledige verantwoordelijkheid voor is genomen.

Source:





Monday, January 21, 2013

The Galung Lombok Massacre. Commemoration 2013/Herdenking 2013



THE COMMITTEE OF DUTCH HONORARY DEBTS

PRESS  RELEASE

On February 1, 1947, the Dutch special troops, Depot Speciale Troepen massacred more than 700 villagers in the village of Galung Lombok, District of  Polewali Mandar, West Sulawesi. The victims were from the surrounding villages of Galung Lombok, from the District of Polewali Mandar and the District of Majene.
(List of the names of the victims from booth districts, see: http://batarahutagalung.blogspot.com/2012/06/galung-lombok-massacre-list-of.html)

In connection with this horrific humanitarian tragedy, the people of the West Sulawesi Province will hold the 2nd Congress of the People of Mandar on Saturday, February 2, 2013 at the Assammalewuang Building, Jl. Jend. Gatot Subroto, Majene – West Sulawesi.

The Governor of the Province of West Sulawesi, H. Anwar Adnan Shaleh will open the Congress.

Keynote speaker       :
Salim Mengga, Chairman of the Organisation of the People of Mandar, West Sulawesi

Speakers                   :
1. Drs. H. Hamzah H. Hasan, Chairman of the Parliament of West Sulawesi.
2. Brig. Gen. (ret.) H. Jawas Jusuf, son of a victim of the massacre
3. Prof. DR. Edward   L. Poelinggomang, Historian at the Hassanuddin University, Makassar
4. H. Zainuddin, eye witness.
5. Mulyo Wibisono, SH., MSc, Chairman of the Advisory Council of The Committee of Dutch Honorary Debts
6. Batara R. Hutagalung, Founder and Chairman of The Committee of Dutch Honorary Debts.

To commemorate the killings of more than 700 villagers, on Sunday, February 3, 2013
a commemoration will be held at the Monument of Galung Lombok.

For the first time, a reconstruction of the massacre will be held in a theatrical performance.

More than one thousand people of the Province of West Sulawesi and the Province of South Sulawesi will attend the commemoration.

The Dutch Ambassador to Indonesia, HE Tjeerd de Zwan is also invited to the congress and to the commemoration.

Some Dutch sources about the massacre in Galung Lombok, see:

Batara R. Hutagalung
Founder and Chairman of the Committee of Dutch Honorary Debts


The Monument in Galung Lombok, West Sulawesi

The mass graves

Daughter of a victim pointing the grave of her father

Son of a victim at the grave of his father

Batara R. Hutagalung with Baya Langi, a widow of a victim
and two eye witnesses


The Galung Lombok Massacre. Bloedbad in Galung Lombok


Note:
In the Dutch reports, the victims of the Galung Lombok massacre were “only” 364.
We have the list of the names of 490 victims. Around 160 victims are still investigated.
See list of the names of the victims:

Batara R. Hutagalung
Founder and Chairman of the Committee of Dutch Honorary Debts

===========================================

Celebes, deel 2

Inleiding
De zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in Zuid-Celebes liepen écht uit de hand toen de commandant, Raymond Westerling, zijn troepen opsplitste. Bij de groep van ongeveer zestig man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, deden zich de ernstigste misstanden voor. Ooggetuigen en overlevenden in Indonesië komen aan het woord in dit vervolg over de terreur op Celebes.

Vermeulen en de inlichtingen
In december 1946 hadden de Speciale Troepen in de streek rond Makassar hun werk gedaan. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe. Mannen die beschouwd werden als 'extremisten'of 'rampokkers' kregen de kogel. De eigen inlichtingendienst van het DST verschafte informatie over verdachte personen en plekken waar het 'verzet' zich concentreerde. Die dienst werd geleid door onderluitenant Jan Vermeulen. Hij was de tweede man onder Westerling. De plaatselijke bevolking werd bij het inlichtingenwerk ingeschakeld. Er was altijd wel iemand bereid als 'spion' te fungeren en medeburgers aan de Nederlandse militairen te verraden. En als het niet goedschiks ging, dan maar kwaadschiks.
Hay van Groenendaal herinnert zich hoe gevangenen gedwongen werden tot praten: "Wij moesten inlichtingen hebben om verder te gaan. Dus in de gebieden waar wij nog niet waren, daar opereerde die groep van Vermeulen. Ze organiseerden bijeenkomsten en als die mensen niet alles vertelden, dan werden ze meegenomen. We kregen dus gevangenen van Vermeulen. Er was een Goedang, op een afgesloten terrein, in ons barakkenkamp, waar die gevangenen werden ondergebracht. Die werden daar opgehangen aan de polsen. De polsen werden op de rug bij elkaar gebonden en dan omhoog getrokken. En gemiddeld hingen daar tussen de 10 en 20 mensen... en op een gegeven ogenblik sloegen ze door en dat werd dan genoteerd. Dat was onze inlichtingendienst."

De martelingen staan niet vermeld in de geschiedschrijving over het Depot Speciale Troepen. Oftewel, zoals Groenendaal zelf fijntjes opmerkt: "Dat wat niet in de boekjes staat..." Toch lijkt het, hoewel Van Groenendaal de enige getuige van het Depot Speciale Troepen is die er iets over zegt, niet onwaarschijnlijk dat het inderdaad heeft plaatsgevonden. In een document van een inmiddels overleden reguliere KNIL-soldaat, die vertelt over de periode voordat het Depot Speciale Troepen ten tonele verscheen, wordt ook al gesproken over martelingen op Celebes. Misschien was er sprake van een normale, door iedereen geaccepteerde, werkwijze die verder geen opzien baarde en die niet als speciale 'verdienste' van het Depot Speciale Troepen te boek kwam te staan. Hoe het ook zij, als Vermeulen inderdaad zo zijn inlichtingen vergaarde, moet het met medeweten van kapitein Westerling zijn geweest. Tenslotte vonden de martelingen in de beschrijving van Van Groenendaal plaats in het barakkenkamp van het DST. Onder de neus van Westerling. Dat was anders bij een later optreden, toen Vermeulen geheel op eigen houtje aan het 'zuiveren' sloeg. Het eindigde in een bloedige massamoord.

Naar het Noorden
Half januari 1947 splitste Westerling, met toestemming van kolonel De Vries, het Depot Speciale Troepen. Hijzelf bleef op de thuisbasis Makassar en onderluitenant Vermeulen trok met 60 man naar het noorden. Het verzet, dat inmiddels grotendeels was verjaagd uit de hoofdstad Makassar, concentreerde zich inmiddels daar, in het district Pinrang. En dus zou Vermeulen een zware klus krijgen. Op 13 januari 1947 meldde Vermeulen zich in Paré Paré bij majoor Stufkens, die de leiding had over de reguliere KNIL-eenheden ter plekke. Stufkens was goed voorbereid op de komst van Vermeulen. De autoriteten in Makassar hadden hem uitgebreid ingelicht over de methode-Westerling en de bevoegdheden van Vermeulen.

De DST'er Vermeulen en de KNIL'er Stufkens besloten dat er direct de volgende dag een voorbeeld gesteld zou worden. De bevolking moest weten dat er voortaan met harde hand tegen elke vorm van verzet werd opgetreden. Op 14 januari lieten ze vijfentwintig terroristen uit de gevangenis naar het autobusstation in Paré Paré overbrengen. Daar werden ze in rijen opgesteld. Vermeulen hield een korte toespraak waarin de schuld van de gevangenen werd vastgesteld, daarna opende hij het vuur. De dode lichamen werden in een gemeenschappelijk graf gegooid. Dat was nog maar het begin van de noordelijke veldtocht van Vermeulen. In de daarop volgende dagen voerde Vermeulen, ondersteund door commandant Stufkens en commandant Ryborz , in de omtrek 'zuiveringen' uit volgens de methode Westerling waarbij steevast tientallen doden vielen - meer dan bij Westerling. Ook werden vaker, net zoals op de eerste dag, gevangenen uit de plaatselijke gevangenis gehaald en geëxecuteerd.

Maar het verzet viel volgens de militairen niet te breken zolang sommige adellijke leiders buiten schot bleven. Vermeulen drong daarom bij zijn meerdere, kolonel De Vries te Makassar, aan op toestemming om de - inmiddels gevangen genomen - adellijke personen te mogen liquideren. Op 22 januari belegde kolonel De Vries een vergadering waarbij onder andere de resident Cachet en de officier van justitie Veldhuis aanwezig waren om de kwestie te bespreken. Onder de hoge heren was aanvankelijk aarzeling ten aanzien van deze politiek gevoelige kwestie. Maar uiteindelijk gingen ze toch akkoord. Wel moest volgens de vergadering rekening worden gehouden met de plaatselijke gebruiken. Adellijk bloed mocht niet over de aarde vloeien want dat zou het gebied onvruchtbaar maken. Verdrinken of levend begraven was volgens de vergadering geen alternatief. En dus werd geopperd de slachtoffers op een prauw voor de kust te executeren. De te volgen lijn was dus al voor Vermeulen uitgestippeld. Maar eerst moest er, al was het voor de formaliteit, een onderzoek ingesteld worden naar de schuld van de betreffende personen. Nadat een commissie die schuld binnen drie dagen had vastgesteld, was er voor het DST'er geen hindernis meer om tot executie over te gaan. Er was slechts één kleine uitzondering gemaakt. Vanuit Batavia - waar men blijkbaar ook op de hoogte was van de plannen - kwam het uitdrukkelijke bevel de datoe (vorstelijk leider) van Soeppa te sparen.

Geëxecuteerd of verdronken
Op 28 januari zetten het DST en het KNIL een grote militaire actie tegen Soeppa in. Bij de zuiveringen in dit gebied kwamen ruim tweehonderd personen om. Vier adellijke personen die met de datoe van Soeppa gevangen zaten, werden op een prauw voor de kust doodgeschoten. Daarnaast werden 15 overige gevangenen op verschillende plekken geëxecuteerd. Ook de datoe kwam uiteindelijk om het leven. Tot zover de feiten die zijn opgetekend in rapporten en officiële verklaringen. Vermeulen beweerde later dat de datoe trachtte te ontvluchten en daarom werd doodgeschoten. Bovendien beweerde hij in een interview dat Willem IJzereef in 1983 met hem had, dat er nooit mensen op een prauw zouden zijn doodgeschoten. De getuigen in het huidige Indonesië vertellen weer een ander verhaal.

Zo vertelt S. Sapada, dochter van één van de adellijke leiders in Soeppa: "Mijn vader was uitgesproken nationalist, ook al in de jaren dertig, een aanhanger van Boemkarno. Hij vond dat de adel het volk moest helpen. Daarom weigerde hij om met de Nederlanders samen te werken. In januari zat mijn vader al in de gevangenis. Daarna brachten ze hem uit de gevangenis over naar Soeppa. Daar waren tweehonderd man verzameld. Er werd hem gezegd: kijk, dit is jouw volk. Als je met ons meewerkt dan willen we je leven redden. Maar hij wilde niet en daarom werd de helft van de mensen neergeschoten. Opnieuw kwam de vraag. Maar hij zei: nee, je kan mij en mijn volk neerschieten. Maar ze schoten niet op mijn vader. Want als het bloed van mijn vader op de grond zou vallen, dan zou dat betekenen dat de oogst zou mislukken. Dus mijn vader gooiden ze met een steen in de oceaan."

De 80-jarige A. Wanrang te Soeppa bevestigt het verhaal van de verdrinkingsdood. Hij heeft het van anderen gehoord, want zelf zat hij op dat moment in de gevangenis op verdenking van wapenbezit. "Ze wilden drie mensen vermoorden. Maar er werd gezegd: bind ze vast en breng ze naar de kust. En toen werden ze in zee gegooid met een steen. En na twee dagen, dat werd me verteld, kwamen de lichamen weer boven water. De bewoners zagen het: alle lichamen werden gevonden in Marabungan-beach." Het verhaal van Wanrang over de acties in Soeppa sluiten wel aan bij de officiële versie. Hij vertelt dat Soeppa inderdaad een belangrijke basis was voor de guerilla en dat er veel Javanen in het gebied zaten. Om drie uur 's nachts begon de omsingeling van het dorp door de Nederlandse militairen. Iedereen werd naar een veld gebracht. Daar werden ongeveer tweehonderd mannen vermoord. Ook de broer en de vader van Wanrang. Maar Wanrang voelt geen wrok en zoekt aarzelend naar de motieven voor het optreden van de Nederlandse militairen: "Ze zochten de guerrilla. Zij zeiden altijd 'rampok'. Misschien waren ze boos omdat we vrij wilden zijn. Ze schoten de mensen een voor een dood. Ze schoten ze altijd in de kop."


Galung Lombok
Het Depot Speciale Troepen onder leiding van Vermeulen was na de actie in Soeppa nog niet klaar. Een paar dagen later, op dinsdag 1 februari 1947, vond het grootste drama plaats. Het was vroeg in de ochtend en nog donker toen Nederlandse militairen enkele dorpen in de buurt van Madjene in het noordelijke deel van Zuid-Celebes uitkamden. Volgens de inlichtingendienst zouden opstandige nationalisten die dag Madjene aanvallen. Zoals gebruikelijk werden eerst alle bewoners uit hun huizen gehaald en bijeengedreven op een drooggevallen rijstakker. Daar dreunde Vermeulen de namen op van negenentwintig mannen die eerder al waren opgepakt, maar weer waren vrijgelaten. Voor hem stond het vast: dit waren terroristen - om de eenvoudige reden dat ze bij hun aanhouding in het bezit bleken van papieren met het zegel van de verzetsorganisatie Angkatan Laoet Republik Indonesia. Daarmee stond ook hun straf vast: de kogel.

De onderluitenant wees drie helpers aan en met z'n vieren schoten ze de negenentwintig ieder een kogel door het hoofd. De 'zuivering' (zoals Vermeulen het zelf noemde) was begonnen. Vervolgens liet hij zestien mannen apart zetten. Alle zestien waren gevangenen, die met maar één bedoeling uit gevangenis waren gehaald en naar deze plek gebracht: om te worden doodgeschoten. Na deze executie begon pas de eigenlijke zuivering. Aan de dorpsoudste vroeg Vermeulen of er misdadigers onder de bijeengedreven dorpelingen waren. Ook zij werden doodgeschoten. Weigerde de dorpsoudste iets te zeggen, dan werden er willekeurige slachtoffers gekozen. Kapitein Ryborz van het KNIL assisteerde bij de executies. Binnen een uur werden ruim tweehonderd Indonesiërs vermoord. De rijstakker werd een dodenakker.

Nog tijdens de executies vernam Vermeulen dat een paar kampongs verderop mogelijk een patrouille van het Depot was aangevallen. Drie Nederlandse militairen van de Speciale Troepen zouden zijn gedood. Vermeulen ging direct op onderzoek uit. In de tussentijd gaf commandant Stufkens aan Ryborz de opdracht door te gaan met de executies. Nog eens dertig doden. Van Groenendaal, die zelf niet bij deze acties aanwezig was maar met Westerling elders op Celebes zat, hoorde later van zijn maten wat er met de DST'ers was gebeurd. "Die drie hebben zich laten verleiden door een meid! Ze waren op patrouille en in de berm van de weg aan het uitrusten. En toen kwam er een mooie meid en die verzocht ze mee in de kampong te gaan. Ze waren zo dom om dat te doen en zijn gelijk in de pan gehakt! Ze hebben ze naderhand gepontomd - in mootjes gehakt - teruggevonden." Hoe Vermeulen zijn mannen precies heeft aangetroffen, is niet duidelijk. Maar het zal behoorlijk akelig geweest zijn. Volgens een plaatselijke getuige had de guerrilla de militairen aan de kant van de weg in een boom gehangen met afgesneden penis in de mond. Bij terugkomt was Vermeulen in ieder geval woedend.


De wraak van Vermeulen

Uit wraak liet Vermeulen de mannen die uit dezelfde kampong afkomstig waren als de overvallers apart zetten. Wat volgde, had alles van een wilde schietpartij. Na enkele verschrikkelijke minuten waarin gericht gevuurd werd op de wanordelijke groep kampongbewoners kwam majoor Stufkens uit de bosjes waar hij, naar hij later beweerde, 'zijn behoefte' deed, en stopte de vuurpartij. Van de 115 mannen uit Segeri lagen er vijfenzeventig dood op de grond. Van de inwoners van Tahlolo bleken er zestig vermoord. De anderen, minder dan de helft, slaagden erin aan het vuur te ontkomen. Op de rijstakker lagen ook nog de lichamen van de mannen die vroeger in de ochtend waren gefussilleerd. In totaal bleken er die dag 364 doden te zijn. De lichamen werden in een massagraf geworpen. Daarna werden verschillende kampongs in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt.

Volgens latere verklaringen van Vermeulen vluchtten de mannen en werd daarna pas het vuur geopend. Maar volgens een oude blinde man in Galung Lombok ging het precies andersom: "Ze brachten alle mensen naar dit dorp en ze begonnen op iedereen te schieten. Toen ze begonnen te schieten, probeerde ik met tien andere mensen weg te lopen. We liepen zigzag, maar negen werden vermoord, alleen ik kon zigzaggend wegkomen. Er werden ook kinderen vermoord. Dat was per ongeluk...ze stonden ernaast." Een andere plaatselijke getuige, B. Lahir, vertelt: "Ze brachten alle mensen naar Galung Lombok, ook vrouwen en kinderen. Ze selecteerden de mensen die uit Segeri kwamen. En alle mensen uit Segeri werden vermoord." Onder de slachtoffers was ook de vader van Lahir. Hijzelf zat, als klein kind, op dat moment op de rug van zijn vader maar werd nog net door zijn oma gered. "Ze duwden m'n vader een geweerloop in de mond." De oom van Lahir kon zichzelf redden door onder de lijken te kruipen, bloed op zijn gezicht te smeren en te doen of hij dood was. Zelfs toen de Nederlandse militairen nog eens op het stapeltje lijken trapten om te controleren of iedereen dood was, verraadde de oom van Lahir zichzelf niet.

Het zijn slechts een paar getuigenissen van mensen die het nog na kunnen vertellen. Er zijn later wel pogingen gedaan een reconstructie van het bloedbad te maken maar plaatselijke ooggetuigen zijn nooit eerder gehoord. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het drama officieel bekend werd onder de noemer 'de vuurpaniek van Galung Galung'. Maar bij navraag in het dorp Galung Galung, 60 jaar later, verwijzen de bewoners naar 15 kilometer verderop: het bloedbad had plaats in Galung Lombok! Zestig jaar lang de verkeerde naam, het verkeerde dorp... De getuigen wijzen niet alleen de exacte geografische locatie aan, maar kleuren het schrikwekkende beeld dat uit de officiële rapporten opdoemt met nog gruwelijker details; vermoorde kinderen...daar maakten de rapporten geen melding van. Het zou, gezien de vastgestelde vergissing in de plaatsnaam, toch waar kunnen zijn. Misschien weer iets dat 'buiten de boekjes bleef...'.


Officiële rapporten
Tegen instructie en gewoonte in maakte KNIL-majoor J. Stufkens geen rapport op van wat er gebeurd was op de rijstakker. De gebeurtenissen in Galung Lombok zijn pas later gereconstrueerd. Maar toen was onderluitenant Vermeulen al lang weg van Celebes. Hij verliet op 5 februari 1947, dus vlak na het drama in Galung Lombok, het eiland en ging (op verlof?) naar Java. Westerling beweerde later dat hij Vermeulen had weggezonden nadat hem de laatste gruwelijkheden ter ore waren gekomen maar dat is niet zwart op wit vastgelegd. Niets in de officiële papieren duidt erop dat de gebeurtenissen in Galung Lombok destijds voor commotie zorgden.

Geruchten van bestuursambtenaren over het optreden van KNIL-militairen (en dus niet van het Depot Speciale Troepen!) te Paré Paré deden procureur-generaal Felderhof te Batavia vrezen dat "het plegen van dergelijke excessen weleens waarheid" zou kunnen zijn. Hij vroeg daarover op 7 februari aan Veldhuis, de officier van justitie te Makassar, opheldering. Nogmaals, Galung Lombok was daarbij niet in het geding, het ging om eerdere acties. Terwijl het antwoord van Veldhuis uitbleef, stroomden meer geruchten bij Felderhof binnen. Dat had tot gevolg dat Felderhof op 21 februari een vergadering met generaal Spoor en generaal-majoor Buurman van Vreeden bijeenriep. Opeens gingen de ontwikkelingen snel: de vergadering besloot het noodrecht, dat juist na het drama Galung Lombok was toegekend aan alle officieren, in te trekken. Tegelijkertijd werd kolonel De Vries opgedragen het vertrek van het Depot Speciale Troepen voor te bereiden. Op 4 maart was het zover: Westerling vertrok van Zuid-Celebes, uitgewuifd door enkele duizenden inwoners die 'spontaan'naar de haven waren gekomen.

Inmiddels waren geruchten over het optreden van het Depot Speciale Troepen tot Nederland doorgedrongen. Er werden kamervragen gesteld. Een onderzoekscommissie onder leiding van mr. Enthoven moest de kwestie onderzoeken. Na anderhalf jaar, eind 1948, meldde het eindrapport van de commissie dat er sprake was van excessen. Zo waren o.a. de gebeurtenissen te Galung Galung (sic!) volgens de commissie te ernstig om géén strafvervolging in te stellen. Generaal Spoor en Van Mook waren het hiermee eens en het kabinet in Den Haag stemde in met een gerechtelijk vooronderzoek. Raadsheer-commissaris G.L. Paardekooper werd hiermee belast. Dat onderzoek lag in de herfst van 1949 ter tafel, vlak voor de souvereiniteitsoverdracht. Volgens afspraak zouden de lopende zaken van het Indisch Militair Gerechtshof worden overgedragen aan Nederland. Maar met het rapport Paardekooper gebeurde dat niet. Waarschijnlijk omdat het politiek te gevoelig lag. Het rapport kwam niet naar Nederland, de Nederlandse vertegenwoordiging in Indonesië liet weten dat het "te dik was om er een afschrift van te maken". Daarop besloot KVP-minister Van Maarsseveen van verdere vervolging af te zien; zonder dossier was er geen beginnen aan.

Ondertussen bleef de kamer aandringen en werd een tweede onderzoekscommissie uitgezonden. De juristen Mr. Van Rij en Mr. Stam kregen de opdracht volledig verslag uit te brengen van de gebeurtenissen op Celebes ten tijde van het standrecht. Tijdens hun onderzoek bleek bewijsmateriaal verdwenen. Toch verzamelden Van Rij en Stam veel getuigenissen en feiten. Pas in augustus 1954 brachten ze hun vernietigende rapport uit. Vermeulen, Ryborz en Stufkens waren verantwoordelijk voor misstanden, maar zij niet alleen. Volgens de juristen konden ook "de burgerlijke autoriteiten, die hun handelingen goedkeurden, verzwegen, aanmoedigden of door de vingers zagen" niet buiten schot blijven. Het rapport werd aangeboden aan het derde kabinet Drees. Eerder al had Drees laten weten niet voor de vervolging van Westerling te voelen. Zo'n affaire zou, kort na de overdracht, te veel politiek gevoelig stof doen opwaaien. En hoe zou de ministerraad het kunnen verantwoorden om Westerling buiten vervolging te stellen en de drie andere mannen wel aan te klagen?
Zo verdween de hele affaire Celebes in een la. Het rapport Van Rij Stam werd niet openbaar gemaakt. Pas in 1969, toen een tv-uitzending van Achter het Nieuws de wandaden in Indonesië oprakelde, kwamen de conclusies van het rapport naar buiten. De uitzending leidde tot publieke verontwaardiging en een nieuw onderzoek: de excessennota. Celebes was daarin slechts een klein onderdeel, want het onderzoek betrof alle wandaden die in het naoorlogse Indonesië onder Nederlandse verantwoordelijkheid waren gepleegd. Consequenties had de nota verder ook niet, behalve dat Westerling in de discussie voor velen het symbool werd van alle excessen die in voormalig Nederlands-Indië hadden plaatsgevonden. Opnieuw ging de kwestie daarmee in feite in de doofpot.

Tekst: Karin van den Born
Research: Karin van den Born en Maarten Hidskes
Regie en samenstelling: Erik Willems

Source:
and
19 januari 2007
VPRO


===============================================


Op Celebes was niemand zijn leven zeker

Nederland 2, 21.25 uur        

Vanavond het tweede deel van het tweeluik over Zuid-Celebes. De beruchte zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen in Zuid-Celebes, dezer dagen precies zestig jaar geleden, liepen écht uit de hand toen commandant Raymond Westerling zijn troepen opsplitste. Bij de groep van ongeveer 60 man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, hebben zich zeer ernstige excessen voorgedaan.

Ook komen ooggetuigen en overlevenden in Indonesië aan het woord, die schokkende verhalen vertellen over het optreden van de Nederlandse soldaten.
De commando’s onder Westerling waren naar Zuid-Celebes gestuurd omdat de toestand daar onhoudbaar was. Niemand was zijn leven meer zeker, plunderende en rovende benden trokken rond en pleegden allerlei vormen van geweld.

Westerling kreeg van zijn superieuren volmachten om daar met alle middelen tegen op te treden. Hij koos voor het standrechtelijk executeren van verdachten, maar na verloop van tijd werd de nauwkeurigheid bij het onderzoek almaar kleiner. En op het laatst, zo blijkt uit Nederlands onderzoek en uit ooggetuigeverslagen, liepen de acties uit op regelrechte moordpartijen.
Op 1 februari 1947 zijn zelfs 364 doden gevallen toen de soldaten in het wilde weg op een menigte mannen begon te schieten. Volgens Nederlandse rapporten – er zijn twee onderzoekscommissies op pad gestuurd in begin jaren vijftig – gebeurde dat in het dorpje Galoeng Galoeng. Documentairemaker Erik Willems van Andere Tijden (de eerste journalist die daar ooit geweest is) ontdekte dat zij zich in de plaats vergist hadden omdat ze nooit ter plaatse onderzoek hadden ingesteld: het bleek om de plaats Galoeng Lombok te gaan.

Geen van de betrokken Nederlanders is ooit gestraft voor deze gebeurtenissen. Westerling is buiten vervolging gesteld omdat hij in opdracht handelde en tegen enige ondergeschikten is de vervolging begin jaren vijftig gestaakt.

Source:

geschiedenis 18 januari 2007

===========================================


'Toen een zware storm over het land trok, was de massamoord geen nieuws meer'

OPINIE - Erik Willems − 09/12/11, 09:27

Niet alleen in Rawagede hebben Nederlandse soldaten misdrijven begaan, ook in Galung Lombok. Na elke onthulling bleef het echter oorverdovend stil. Dat stelt filmmaker Erik Willems.

 Deze week krijgen de nabestaanden van het bloedbad in Rawagede een schadevergoeding en excuses van de Nederlandse overheid. Daarmee lijkt het boek van de grote oorlogsmisdaden tijdens de koloniale oorlog gesloten, al borrelen in de nasleep van dit soort pijnlijke kwesties altijd verhalen op van vergelijkbare affaires die meestal minder indruk maken. Want zo werkt dat in de publieke opinie: aan één traumatische gebeurtenis hebben we genoeg. Stel je voor: straks komen er nog claims van tientallen andere kampongs.

Toch heb ik weet van zo'n kwestie. Sterker nog: vijf jaar geleden maakte ik voor het geschiedenisprogramma Andere Tijden er een uitzending over (18 januari 2007, het laatste deel van mijn tweeluik over de zogenoemde Zuid-Celebesaffaire).

Standrechtelijke executies
Op Zuid-Celebes (het tegenwoordige Sulawesi) woedde in 1946-'47 een rampzalige guerrillaoorlog. Het Depot Speciale Troepen (DST) van Raymond Westerling stelde er orde op zaken. Standrechtelijke executies en het platbranden van kampongs hoorden bij de methode-Westerling. In drieënhalve maand vielen zo'n vierduizend doden. Die feiten zijn de afgelopen decennia voldoende bekend geworden. Minder bekend maar des te gruwelijker was de zuiveringsactie die meteen ook het einde van de missie inluidde: de vuurpaniek van Galung Galung.

Opvallend genoeg was Westerling zelf - die uitgroeide tot hét symbool voor alles wat mis was - hierbij niet aanwezig. Sterker: hij is er zelfs nooit in de buurt geweest. Een deel van het DST onder tweede man Jan Vermeulen voerde op 1 februari 1947 executies uit in de kampong Galung Lombok. Hier waren op een rijstakker enige honderden mensen door DST'ers en KNIL-militairen bij elkaar gedreven.

Aanvankelijk hadden de executies een nog enigszins geordend karakter. Eerst schoot Vermeulen, terzijde gestaan door drie helpers, een groep van 29 gevangen genomen verzetsstrijders elk een kogel door het hoofd. Daarna wachtte 16 andere mannen die uit de gevangenis waren gehaald hetzelfde lot.

De dorpsoudste
Vervolgens werd een al eerder door Westerling op andere plekken in Zuid-Celebes beproefde methode toegepast. De dorpsoudste moest 'misdadige elementen' aanwijzen die onmiddellijk werden geëxecuteerd. Naar de mening van Vermeulen verliep die selectie echter niet snel genoeg. Hij koos lukraak enkele slachtoffers en schoot die recht door het voorhoofd. Binnen een uur lagen op de sawa de lichamen van ruim tweehonderd vermoorde Indonesiërs.

Maar het ergste moest nog komen. In een naburige kampong bleken drie DST'ers op gruwelijke wijze te zijn vermoord nadat ze in een hinderlaag waren gelopen. 'Iets met een meid, ze hadden ook niet zo stom moeten zijn om de kampong binnen te gaan', zo wilde een van de mannen in 2006 aan mij kwijt.

Vermeulen ging zelf op onderzoek uit en kwam na een uur terug op de dodenakker. Hij was buiten zichzelf van woede en maakte sproeibewegingen met zijn vuurwapen en schreeuwde : 'Allemaal doodmaken'. Binnen luttele minuten lagen op de verzamelplek 364 ontzielde lichamen die haastig in een massagraf werden gedumpt. Degenen die konden ontkomen, vluchtten de bergen in, waar ze zich dagen doodsbang schuilhielden.

Vermeulen verliet overhaast Celebes. Geen van de betrokken militairen is ooit gestraft.

De ultieme doofpot
Ad van Liempt, de toenmalige eindredacteur van Andere Tijden, die jaren eerder onderzoek deed naar de kwestie waaraan een deel van het bovenstaande is ontleend, noemde deze affaire de ultieme doofpot. Niet omdat er nooit iets over was uitgelekt, maar juist omdat incidenteel gedurende vele jaren stukje bij beetje feiten boven tafel kwamen die de indruk wekten dat het verhaal genoegzaam bekend was.

Al op 31 januari 1987, bijna veertig jaar na dato, publiceerde Van Liempt in Vrij Nederland over de kwestie. Op de cover prijkte de tekst: 'De massamoord van Galoeng Galoeng'. De onthullingen over de onbestraft gebleven en uit de herinnering verdrongen oorlogsmisdaad bracht echter geen enkele reactie teweeg. Van Liempt: 'Het bleef tot mijn eigen verrassing oorverdovend stil'.

Dat kwam niet in de laatste plaats door de betrokkenen zelf. De mannen van Westerling hielden jarenlang de lippen stijf op elkaar - een soort omerta, de zwijgplicht van kameraden tegenover een buitenwereld die het toch nooit zal begrijpen. En kennelijk is dat aardig gelukt. Zelfs de plaats van het delict is in later onderzoek verward met de ruim 10 kilometer verderop gelegen kampong Galung Galung, zo merkte ik toen ik in 2003 voor het eerst in de regio kwam. Een vreemde ervaring te horen dat ik de eerste Nederlander was die wilde komen uitzoeken wat er gebeurd was. Het maakte mij volhardend om het verhaal voor Andere Tijden te vertellen.

Op 18 januari was het zover, bijna zestig jaar na iets waar geen ander woord voor te bedenken is dan oorlogsmisdaad. Het NOS Journaal zou er aandacht aan besteden. Maar op die namiddag trok een zeer zware storm over Nederland die het journaal vulde. En daarmee was de wrede moordpartij in Galung Lombok weer geen nieuws.

Erik Willems is filmmaker. Hij werkt ondermeer voor Andere Tijden.

Source: