Monday, September 7, 2015

‘Geweld Indië was structureel’



1945-1950 Nieuw historisch onderzoek maakt officiële standpunt over ‘excessen’ Nederlandse militairen onhoudbaar

Door
14 augustus 2015
Nederlandse militairen hebben structureel en op grote schaal extreem geweld gebruikt tegen Indonesiërs in de periode 1945-’50, na het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid, maandag zeventig jaar geleden.
Ze gingen daarna meestal vrijuit omdat autoriteiten de misstanden systematisch in de doofpot stopten.
Dat concludeert de Zwitsers-Nederlandse historicus Remy Limpach na een omvangrijk onderzoek van overheidsarchieven en persoonlijke getuigenissen, zoals dagboeken en soldatenbrieven.
Het is voor het eerst dat een historicus het geweld „structureel” noemt. Limpach, die volgende maand aan de universiteit van Bern hoopt te promoveren en nu werkzaam is bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), ondergraaft in zijn promotie-onderzoek het officiële overheidsstandpunt dat buitensporig geweld in de jaren 1945-’50 bij wijze van uitzondering, als ‘exces’ voorkwam.
In 1969 verscheen de zogeheten Excessennota, waarin 110 gevallen van extreem geweld worden beschreven die in regeringsarchieven voorkomen. Dat de dekolonisatieoorlog – ook bekend als de ‘Politionele Acties’ – veel gewelddadiger was, is na vele publicaties in de afgelopen decennia algemeen bekend. Maar de kernvraag, of het ging om ‘excessen’ dan wel structureel geweld, is nooit onderzocht. Na de Excessennota kwam er geen parlementaire enquête en belangrijke archieven bleven gesloten.

Wraakacties
Volgens Limpach koos de regering-De Jong destijds bewust voor de eufemistische term ‘exces’ „om te suggereren dat geweld niet op grote schaal voorkwam” en „om gevoelige vergelijkingen met Duitse oorlogsmisdaden te vermijden”.
Limpach concludeert echter dat het Nederlandse leger Indonesiërs juist wel „regelmatig”, „op grote schaal” en „buiten onmiddellijke gevechtsacties om doodde en mishandelde”. Limpach spreekt van vermoedelijk „duizenden” gevallen. Het gaat onder meer om gevallen van moord op ongewapende burgers als wraakactie of, om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen, het doodschieten van geboeide gevangenen, martelingen in gevangenissen, verkrachting en plundering. Uit veel persoonlijke documenten blijkt dat betrokken militairen en getuigen het Nederlandse optreden wel degelijk vergeleken met dat van de Duitse bezetters in Nederland.
Verantwoordelijken ontliepen vaak hun straf, omdat militaire en juridische gezagsdragers dergelijke gevallen stelselmatig in de doofpot stopten. Volgens Limpach ontstond zo een „cultuur van rechteloosheid”.

‘Militair noodgeval’
Historicus Cees Fasseur, die als Justitie-ambtenaar de Excessennota opstelde, zegt in een reactie dat de term ‘structureel geweld’ in 1969 „politiek onhaalbaar” was, al „wist iedereen dat er geen schone oorlogen bestaan”. Hij had destijds vier maanden de tijd om de nota te schrijven, daarom was vervolgonderzoek volgens hem essentieel. Maar de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedschrijving, gesteund door de regering-De Jong, heeft daar volgens hem ten onrechte geen ernst mee gemaakt.
De historica Stef Scagliola (Erasmus Universiteit), die als een van de eersten pleitte voor het gebruik van persoonlijke getuigenissen van veteranen in onderzoek, zegt eveneens dat historici tot nu toe te voorzichtig zijn geweest. „Dat Limpach nu als eerste een duidelijke uitspraak durft te doen is daarom belangrijk.”
Grondig vervolgonderzoek had als ‘feitelijk fundament’ kunnen dienen voor nieuwe vondsten waarover de media de laatste jaren hebben gepubliceerd. Limpachs onderzoek wordt gezien als belangrijke bijdrage aan dat fundament.
Veel gewelddaden zijn destijds uitgelegd als „militair noodgeval”. Of als noodzakelijke „contraterreur” tegen Indonesisch geweld, zoals het optreden van kapitein Westerling op Zuid-Celebes in 1949. Volgens Limpach is die term echter misleidend. Het verhult dat Nederlandse militairen in diezelfde periode zelf ook ongewapende Indonesiërs martelden en doodden.
De Excessennota legt de verantwoordelijkheid vooral bij gewone soldaten. Limpach meent echter dat de oorzaken van het geweld in de militaire structuur verankerd zaten en dat officieren hun ondergeschikten doelbewust de vrije hand gaven.

Thursday, August 22, 2013

Dutch Compensation


Dec 19th, 2007, in Opinion, by Guest Writer
Hi there! Keep yourself up to date on Indonesian affairs by subscribing to our RSS feed, or stay informed on Indonesia via your email inbox.
Should Indonesia seek compensation from the Netherlands?

Should Indonesia seek Dutch compensation?

As I read more about the history of Indonesia, this question cropped up to tease me.
The question being this; should Indonesia demand compensation from the Dutch Government for their past atrocities and what they looted during their time in Indonesia?

I have neither come across any source which says that the Dutch have formally and unequivocally apologised for their past crimes against the Indonesians nor is there anything which says that Indonesia has absolved the Dutch.

The history of the VOC and the Dutch East Indies is filled with umpteen comments that relate about Dutch atrocities.

Comments such as this:
"It was the beginning of Dutch colonialism in Indonesia. ... In these outrageous expeditions countless atrocities were committed."

and this:
"For of all the countries, outside of Africa, that had suffered from colonialism, Indonesia was without a doubt plundered the most ferociously. When the Indonesian masses finally were able to declare their political independence, the rich archipelago was one of the most impoverished areas on earth."

and this,
"the Dutch had tried and ultimately failed to re-impose their colonial power on the country after World War II. In the process, the Dutch military were guilty of what official records call 'excesses' In the view of some who were there, these 'excesses' were nothing less than war crimes. The sense of denial and cover up is so strong, most Dutch historians won't touch it."

and this:
"Wim, a Dutch soldier with the rank of corporal was stationed in Western Java in the Bogor area. He saw the 'police action' in Indonesia as morally wrong and refused to shoot people. He refused to be in a position of some authority and asked to be relieved of his corporal's responsibilities. Accordingly, the commanding officer demoted him to serve as an ordinary soldier.

Wim's memories connected with experiences of that period were deeply repressed and disturbed him many years later when he was an older man. He witnessed much human misery, saw friends killed and innocent Indonesians slaughtered. Mutilated bodies were a common sight."

and this:
"This wall of denial has only increased over time. There is a general silence about the murders committed by the Dutch Army in the name of the Dutch kingdom.

The Indonesians are trying to forget their painful past. So no one wanted to ask, no one wanted to find out what happened and no one did. The ghosts of colonial misrule and murder linger over Indonesia, even today."


Historical Facts
1602 - 1799. Indonesia was "ruled" by the Dutch VOC, which were a combination of Dutch Companies.
1800. Dutch formally declared the archipelago as the Dutch East Indies under direct rule of the Dutch Government.
1949. Dutch were forced in by International pressure to recognize Indonesia's Independence declaration in 1945.

Additional details of Indonesian History Timeline: 1602 - 1949
1602, March 20th. Dutch companies combine to form Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC); led by Heeren XVII representing different regions of the Netherlands; States-General gives VOC power to raise armies, build forts, negotiate treaties and wage war in Asia.
VOC establishes post at Gresik.

The Dutch East India Company was given most of the powers of a sovereign state, partly because communication between the Netherlands and Asia was so slow that colonial activities simply could not be directed from Amsterdam.

1798. Dutch government revokes charter of VOC, assumes its debts and assets.
The VOC was losing money to corruption and political intrigues. By the end of the 1700s, it was fully bankrupt. On January 1st, 1800, it ceased to exist.

1800, January 1st. VOC formally dissolved; properties revert to Dutch government.
More of these excerpts from "Timeline of Indonesian History" can be seen at http://www.gimonca.com/sejarah/sejarah02.shtml

Compensation
Compensation from the Japanese Government was once thought to be beyond any hope for those comfort ladies who were forced to serve as sex slaves for the Japanese Forces during their Occupation.

After several generations and with the details of Dutch atrocities either forever lost or progressively becoming blurred, is it beyond any hope for Indonesia to demand compensation from the Dutch?

I am not aware if Indonesia considered it and representation for compensation was made to the Dutch Government.

Assuming that Indonesia did in fact request for compensation but did not succeed, the Dutch attitude finds a similar comparison from an observer's remark. It was about the gift that Queen Beatrix's gave to Indonesia during her official presence in Indonesia's for celebrations of their 50th anniversary of Independence.

~ and drum roll please....

The Queen presented the Indonesian people with a Friesian cow. It must have been her pet cow and it probably sat beside H.R.H Beatrix on Royal Dutch Airline - all the way to Indonesia.

"A cow and not a Rembrandt or a Van Gogh. Very rude. That's part of the Dutch soul, this rudeness."
the observer berated.
In the case of the Dutch, I do not know what a Friesian cow symbolises. I do know what a cow symbolises for the Hindus but then again, Indonesia is not predominantly Hindu. Oh well, it was better a cow than a Trojan Horse.
It could well have been a Dutch way to inform the Indonesians that if they hoped for any compensation, they would have to wait till the cows come home. However, the Dutch would mock and have their Queen to bring at least one cow home to Indonesia with their sentiment,
"In the name of William of Orange! be thankful for that."
By the way, anyone knows what has happened to that "royal" Friesian cow?
What about Dutch financial donations/loans, (not compensation)? I read the following. It relates to what happened 16 years ago.

"Multilateral aid to Indonesia was long an area of international interest, particularly with the Netherlands, the former colonial manager of Indonesia's economy. Starting in 1967, the bulk of Indonesia's multilateral aid was coordinated by an international group of foreign governments and international financial organizations, the Inter-Governmental Group on Indonesia. The IGGI was established by the government of the Netherlands and continued to meet annually under Dutch leadership, although Dutch aid accounted for less than 2 percent of the US$4.75 billion total lending arranged through the IGGI for FY 1991."

Note how small was the Dutch amount. *brings out my calculator.....4.75 billion x 2 percent = 95,000,000 tops, but it was LESS than 95 million said the article. PEANUTS compared to what the Dutch plundered from Indonesia for 350 years.

Anyway, it went on to say that
"the IGGI was disbanded. The Indonesian government decided not to accept further financial assistance from Holland because the Dutch government intervened too deeply in its domestic political affairs. The World Bank formed a new consortium called the CGI (Consultative Group on Indonesia) to take over IGGI's role. Holland was not invited to join the CGI, and it has not become a member until today."

However, no matter how ludicrous the question might be plus the fact it would have other ramifications because the Dutch are not the only colonialist throughout the history of mankind, would compensation be possible?

As an aside comment regarding corruption in Indonesia vis-a-vis Indonesia's colonial past.
Aristotle once said:
"If you would understand anything, observe its beginning and its development."

Having read what was the cause for the demise of the VOC, I have this remark to make.
Quote:
"The VOC was losing money to corruption and political intrigues. By the end of the 1700s, it was fully bankrupt. On January 1st, 1800, it ceased to exist."

Therefore, apart from the human sufferings that the natives endured during the Dutch colonial period, is it tenable that corruption in post independent Indonesia is something the Indonesians witnessed and inherited from 200 years of VOC presence and presumably throughout the remaining 150 years of Dutch presence thereafter?

Source: 

           ********



Wednesday, August 7, 2013

PETITION TO THE PRESIDENT OF INDONESIA: SEVER THE "DIPLOMATIC RELATIONSHIP" BETWEEN INDONESIA AND THE NETHERLANDS


Translation. Original text in Indonesian language, see:

-----------------------------------------------------------------------


COMMITTEE OF DUTCH HONORARY DEBTS


Jakarta, 5 August 2013


To

His Excellency
President of Republic of Indonesia
Dr. Susilo Bambang Yudhoyono
Jakarta


Attachment     :           1. Speech of Minister Ben Bot at Den Haag, 15 August 2005
                                    2. Speech of Minister Ben Bot at Jakarta, 16 August 2005


PETITION


Excellency,

Until today the Government of Netherlands has not de jure recognized the Independence of the Republic of Indonesia as of 17 August 1945. According to the Government of The Netherlands, de jure independence of the Republic of Indonesia was 27 December 1949, which was the hand-over of authority from the Government of The Netherlands to the Government of The United Republics of Indonesia (Republik Indonesia Serikat, or RIS). History has recorded that RIS was dissolved on 16 August 1950, and on 17 August 1950, the Unitary State of the Republic of Indonesia was re-established based on Indonesia's Proclamation of Independence on 17 August 1945.

When two nations agree to establish a diplomatic relationship, both parties must show mutual acknowledgement and respect. As such, the so called "diplomatic relationship" between the Republic of Indonesia and the Kingdom of The Netherlands is inappropriate, since the Government of The Netherlands refuse to acknowledge the de jure Independence of the Republic of Indonesia of 17 August 1945.

In juxtaposition, the Government of The Netherlands also denies the responsibility on destruction caused by Netherlands military aggression in Indonesia between 1945 -1950. During these military aggressions, the army of The Netherlands killed approximately one million Indonesian people and conducted various atrocities of war and crimes against humanity.

At the International Criminal Court residing in The Hague, Netherlands, matters of atrocities of war, crimes against humanity and crimes of aggression are not due to a statute of limitations and is subject to litigation. We have proven this by bringing the mass murder of 431 Rawagede village people to Civil Court in The Hague, Netherlands. On 9 December 1947, Netherlands army slaughtered 431 people of Rawagede village. The Civil Court in The Netherlands granted victory to this lawsuit.

Since 20 March 2002, the National Committee for the Defense of the Dignity of Indonesian People and since 20 May 2005 the Committee of Dutch Honorary Debts demand that the Government of The Netherlands acknowledge de jure Independence of the Republic of Indonesia as of 17 August 1945.

On 16 August 2005, Ben Bot, Foreign Minister of The Netherlands, stated in Jakarta that starting of that date, the Government of The Netherlands has recognized the de facto proclamation of Indonesian independence on 17 August 1945. This statement proves that until 16 August 2005, the Government of The Netherlands did not recognize the existence of the Unitary State of the Republic of Indonesia and only de facto accepted this on 16 August 2005.

The stance of the Government of The Netherlands, which until now continue to deny de jure Independence of the Republic of Indonesia as of 17 August 1945, is slanderous to the honor and dignity of the Indonesian people and absolutely contrary to the 1945 Constitution of the Republic of Indonesia.

If until 17 August  2013  the Government of The Netherlands continues to deny:

I.          To acknowledge de jure Independence of the Republic of Indonesia as of 17 August 1945.
II.         To apologize to the people of Indonesia on colonialism, slavery, war atrocities, crimes against humanity and human rights violations, especially as committed by the Netherlands Army during military aggressions in Indonesia between 1945-1950.
III.        To take responsibility for the killings of one million Indonesian people and the destruction caused by the Netherlands military aggression in the Republic of Indonesia between 1945-1950;

The Committee of Dutch Honorary Debts (KUKB) urges the Government of Republic of Indonesia to take immediate action to

SEVER THE SO CALLED "DIPLOMATIC RELATIONSHIP" BETWEEN THE REPUBLIC OF INDONESIA AND THE KINGDOM OF THE NETHERLANDS


Sincerely,


Committee of Dutch Honorary Debts


Batara R. Hutagalung
Chairman                                                            

Reni Dwi Purnomowati, SH, MH
Secretary


Acknowledgement,

Mulyo Wibisono, SH, MSc, BSc
Chairman of Advisory Board

==================================================


Annex 1

Toespraak ter gelegenheid van de 15 augustus-herdenking bij het Indië-monument

Toespraak door dr. Bernard Bot, minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, ter gelegenheid van de 15 augustus herdenking bij het Indië-monument
Den Haag, 15 augustus 2005

Geachte aanwezigen, dames en heren,
De Stichting Herdenking 15 augustus 1945 ben ik dankbaar voor de mogelijkheid vandaag de herdenkingstoespraak te houden. Dat is voor mij, als minister van buitenlandse zaken en vertegenwoordiger van de regering, een eervolle taak. Maar ik sta hier ook, net als velen van u, als een kind van Indië. Net als bij u roept deze herdenking bij mij gevoelens en emoties op, komen op deze dag zowel positieve als negatieve herinneringen boven aan Indonesië, 5 tijdzones en 14.000 kilometer van deze plek verwijderd, maar gevoelsmatig toch zo nabij. Het zijn herinneringen die je de rest van je leven meedraagt, maar een optimistische en toekomstgerichte levenshouding niet in de weg hoeven te staan. Immers, herdenken is, naast herinneren, ook vooruitzien.
Eerst het verleden: met de capitulatie van Japan, precies 60 jaar geleden, kwam ook een einde aan de Japanse bezetting van Nederlands Indië, een bezetting die zovelen van ons leed had berokkend. Wij gedenken de familieleden en vrienden die tijdens de Japanse bezetting het leven lieten of hebben geleden. Wij gedenken ook de talloze Indonesische dwangarbeiders, de Romusha’s, die vaak naamloos stierven.
Na de capitulatie was het leed, in tegenstelling tot wat toen vurig werd gehoopt, nog niet geleden. Meteen na de capitulatie ontstond een machtsvacuüm dat slechts geleidelijk kon worden opgevuld door de Britten. Tijdens deze zogeheten Bersiap-periode verloren vele duizenden onschuldige Nederlands-Indische en Indonesische burgers, veelal vrouwen en kinderen, het leven.
In de jaren daarna volgde een pijnlijke, langdurige en gewelddadige scheiding der wegen tussen Indonesië en Nederland. Voor wat betreft grote delen van de Nederlands-Indische gemeenschap spreken wij dus over vele jaren van fysiek en psychisch leed.
Zelf kijk ik met gemengde gevoelens terug op mijn kamptijd in Tjideng. Als kind word je misschien iets minder snel geraakt door het leed en de ontbering om je heen, vat je de dingen wat makkelijker op. Maar je wordt ook sneller volwassen. Een verblijf in het weeshuis, toen mijn moeder in het ziekenhuis werd opgenomen, maakte mij, zoals dat heet, vroeg “streetwise”.
Waarschijnlijk daarom staat die periode scherp in mijn geheugen geetst. Ik herinner me nog levendig de internering, het vertrek van mijn vader naar Birma, de koempoelans ‘s-morgens en ‘s-avonds, het urenlange wachten en daarna buigen voor kampcommandant Soni. Ook weet ik dat je duizend angsten uitstond als je wegens ziekte niet bij de koempoelan aanwezig kon zijn, omdat de Japanners je zouden kunnen betrappen bij een controle. De herinnering aan de honger is iets dat, denk ik, bij mijn generatie sterk voortleeft in de zin dat je niet snel iets weggooit wat nog enigszins eetbaar is.
Een kleine anekdote. Wij werden verplicht een soort volkstuintjes aan te leggen zogenaamd om wat groente te verbouwen. Ik was aangewezen mee te werken aan een tomatenbed. Groot was mijn teleurstelling toen op een kwade ochtend bleek dat alle zo goed als rijpe tomaten waren verdwenen.
Ik verdacht mijn buurjongen van deze euvele daad en besloot tot retaliatie. Alleen, bij hem waren de tomaten nog onrijp en groen. Ik heb ze toch verorberd en heb dat moeten berouwen. Niet lang daarna voelde ik me doodziek worden en moest mijn moeder opbiechten wat ik had gedaan. “Jongen”, zei ze, “zo komt boontje altijd om zijn loontje”.
Er wordt weer veel geschreven over de Japanse capitulatie. Natuurlijk is het verschrikkelijk wat er in Hiroshima en Nagasaki is gebeurd. Maar ik weet ook dat de oorlog niet veel langer had moeten duren of wij hadden dat kamp niet overleefd. En mijn vader zou zeker niet zijn teruggekeerd uit Birma en Siam. 15 Augustus is daarom een dag die voor mij een speciale betekenis heeft.
De bevrijding, de terugkeer van mijn vader die ik uiteraard bij die eerste ontmoeting niet kende, de terugkeer in Nederland zijn evenzovele onuitwisbare herinneringen die ik graag met U hier vandaag deel. De ontvangst in Nederland kwam enigszins als een koude douche. En ik zeg dat niet vanwege het koude klimaat waarin ik terecht kwam. Het was moeilijk uit te leggen wat wij hadden ondergaan. Steevast kwam er als reactie dat bij ons in Indie in ieder geval het zonnetje had geschenen, terwijl zij in de hongerwinter kou hadden geleden. Kortom, al snel werd duidelijk dat niemand in Nederland zat te wachten op die uit Indië afkomstige groep Nederlanders. Je leerde dus al snel niet te veel te praten over wat je had meegemaakt, en juist wel met sympathie te luisteren naar de verhalen over de oorlog in Nederland, de Duitsers en de vernietigingskampen.
Misschien is dat ook wel de reden waarom wij zo goed en snel in de Nederlandse samenleving wisten te integreren. Misschien daarom hebben we snel pleisters geplakt op al die wonden en gewoon de draad van ons leven weer opgepakt. En natuurlijk was er ook aanleiding om dankbaar te zijn. We hadden het immers overleefd en in ieder geval een nieuw thuis gevonden. Persoonlijk ben ik dus dankbaar dat ik hier voor u mag staan, dat ik zoals zo velen van u die periode goed heb doorstaan en heb laten zien dat je ook gesterkt uit zo’n beproeving te voorschijn kunt komen.
(Levende geschiedenis)
Zestig jaar, dames en heren. De afstand in tijd tussen het heden en de gebeurtenissen van toen wordt steeds groter. En brengt dit niet het risico van vergetelheid met zich mee, zoals de heer Boekholt dat twee jaar geleden bij deze gelegenheid schetste? Ik hoop en vertrouw erop dat dit niet zo zal zijn. Ik denk dat ook toekomstige generaties zich zullen blijven interesseren in het gemeenschappelijke verleden van Nederland en Indonesië. Ik denk dat onze jeugd die geschiedenis graag wil adopteren, zoals de scholieren van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum het Indië-monument hebben geadopteerd en zoals vele andere scholen bijvoorbeeld militaire begraafplaatsen verzorgen. Maar om de geschiedenis met overtuiging te koesteren, moet in de ogen van onze jeugd het verleden en de kennis van dat verleden ook voor het heden en de toekomst relevant zijn.
Winston Churchill zei het eens als volgt: hoe verder men terug kan kijken hoe verder men vooruit weet te zien. Inderdaad: historische kennis is geen overbodige luxe, maar een voorwaarde voor een heldere blik op de toekomst. En dat geldt zeker voor de relatie tussen Nederland en Indonesië. Wanneer Nederlanders op welke wijze dan ook in contact zullen komen met Indonesië en Indonesiërs, dan zullen zij iets moeten weten van de geschiedenis van dat land, en dus ook van eeuwen van gedeelde Indonesisch-Nederlandse geschiedenis. Nederlanders die zonder enige kennis van de geschiedenis in Indonesië succesvol zaken denken te kunnen doen, of diplomatie te bedrijven, komen meestal van een koude kermis thuis.
Wanneer een samenleving de toekomst met optimisme en strijdbaarheid tegemoet wil treden moet zij wel bereid zijn ook over de minder fraaie kanten van de eigen geschiedenis eerlijk te zijn. Zeker in een tijd waarin wij in Nederland  - op de werkvloer, in de sportkantine en op school - bruggen willen slaan tussen de diverse etnische en geloofsgemeenschappen in ons land. In de context van deze herdenking betekent dat dan dat wij durven toegeven dat ook na invoering van de zogeheten ethische politiek de belangen van de Indonesische bevolking voor de meeste Nederlanders op zijn best op de tweede plaats kwamen.
Werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Dat moet niet alleen binnen onze samenleving het adagium zijn, maar ook in de relatie tussen Nederland en Indonesië. De uitdagingen die wij gezamenlijk ter hand moeten nemen zijn legio, zoals de strijd tegen intolerantie, extremisme en terrorisme.
Indonesië is belangrijk. Het is een drijvende kracht achter regionale samenwerking in Zuid-Oost Azië. Indonesië herbergt als seculiere staat meer moslims dan welk land ook ter wereld, maar is tevens hoeder van eeuwenoude, boeddhistische, hindoeïstische en christelijke tradities. Als zodanig heeft Indonesië recht van spreken in de dialoog der culturen. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie vorig jaar, hebben wij dan ook veel aandacht besteed aan intensivering van de betrekkingen met Indonesië.

(Boodschap aan Jakarta)
Dames en heren,
Om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land en als vertegenwoordiger van de generatie die de pijn van de scheiding heeft ondervonden, nog vandaag het vliegtuig nemen, die vijf tijdzones doorkruisen en 28000 kilometer afleggen. Op 17 augustus zal ik dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum.
Maar waar het nu in de eerste plaats om gaat is dat wij de Indonesiërs eindelijk klare wijn schenken. Al decennialang zijn Nederlandse vertegenwoordigers op 17 augustus aanwezig bij vieringen van de Indonesische onafhankelijkheid. Ik zal  met steun van het Kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato - dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.
Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. Bijna zesduizend Nederlandse militairen lieten in die strijd het leven, velen verloren ledematen, of werden slachtoffer van psychische trauma’s, waarvoor, opnieuw, in Nederland maar weinig aandacht bestond.
Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. Dit is buitengewoon wrang voor alle betrokkenen: voor de Nederlands-Indische gemeenschap, voor de Nederlandse militairen, maar in de eerste plaats voor de Indonesische bevolking zelf.
Dames en heren,
Pas wanneer men op de top van de berg staat kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest. Zoiets geldt ook voor diegenen die betrokken waren bij de besluiten die in de jaren veertig werden genomen.
Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.
Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.
Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.
Ik dank u voor uw aandacht.

                                            ********

Annex 2


Speech by Minister Bot On the 60th anniversary of the Republic of Indonesia’s independence declaration

Address by Dr. Bernard Bot
Minister of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands

Jakarta, 16 August 2005
On the 60th anniversary of the Republic of Indonesia’s independence declaration
Colleagues, ... Honoured guests, Ladies and gentlemen,
1.      SAYA MERASA MENDAPAT KEHORMATAN BERADA DI SINI BERSAMA BAPAK-BAPAK DAN IBU-IBU PADA MALAM INI.
(Translation: Ladies and gentlemen - it is an honour for me to be here this evening with you all.)

2.      I am here today in my capacity as a Dutch minister to pay my respects to the Indonesian people, a people with whom we Dutch have had strong bonds for hundreds of years.
3.      Tomorrow, your country will be celebrating the 60th anniversary of your declaration of independence, the Proklamasi. It is an historic moment on which I would like to congratulate Indonesia on behalf of the entire Dutch government. Allow me also to congratulate our trusted partner, the Indonesian Ministry of Foreign Affairs, on its 60th anniversary on 19 August.
Ladies and gentlemen,
4.      This is the first time since Indonesia declared its independence that a member of the Dutch government will attend the celebrations. Through my presence the Dutch government expresses its political and moral acceptance of the Proklamasi, the date the Republic of Indonesia declared independence. Only when someone is standing on the summit of the mountain can he see what would have been the simplest and shortest way up. This applies equally to the people on the Dutch side who were involved in the decisions taken from 1945 onwards. Only in hindsight does it become clear that the separation between Indonesia and the Netherlands was marked by more violence and lasted longer than was necessary.
Ladies and gentlemen,
5.      If a society wants to face the future with its eyes open, it must also have the courage to confront its own history. This applies to every country, including the Netherlands and the Republic of Indonesia. Within the context of 17 August, this means that we Dutch must admit to ourselves, and to you the Indonesians, that during the colonial period and especially its final phase harm was done to the interests and dignity of the Indonesian people – even if the intentions of individual Dutch people may not always have been bad.
6.      The end of the Japanese occupation of Indonesia did not bring an end to the suffering of the Indonesian people nor to that of the Dutch community in Indonesia. The Japanese occupation and the period directly after the Proklamasi were followed by an extremely painful, violent parting of the ways between our countries and communities.
7.      In retrospect, it is clear that its large-scale deployment of military forces in 1947 put the Netherlands on the wrong side of history. The fact that military action was taken and that many people on both sides lost their lives or were wounded is a harsh and bitter reality especially for you, the people of the Republic of Indonesia. A large number of your people are estimated to have died as a result of the action taken by the Netherlands. On behalf of the Dutch government, I wish to express my profound regret for all that suffering.
8.      Although painful memories never go away, they must not be allowed to stand in the way of honest reconciliation. The Indonesian and Dutch veterans who fought one another at that time have been setting a good example for many years by commemorating victims of both sides together. Ali Boediardjo, the former Secretary of the Republic’s negotiating delegation, was speaking about reconciliation in 1990 when he said: “We have one basic principle in common, that is humanism, which means that one can understand his fellow-man and can forgive the evil he has done.”
9.      This is also an important moment for me personally. The country where I was born, Indonesia, and the Netherlands, my motherland, are reaching out to one another and opening a new chapter in their relations. Let us apply ourselves to deepening our friendship with dedication and in harmony. And may our friendship serve the interests of the common challenges all of us will have to meet in the twenty-first century. Let us work together for peace, justice and prosperity.
10. Reconciliation will also be high on the agenda in Aceh. The Indonesian government and the GAM signed a peace agreement yesterday in Helsinki. On behalf of the Dutch government, I would like to congratulate both parties on the results achieved and hope that this will mean lasting peace for the people of Aceh. Because even more than all the aid from the international community, this peace agreement will be decisive for the prosperous development of the province. The role of the EU and ASEAN in monitoring the peace agreement is an important new step in the growing relationship between the EU and ASEAN.

Ladies and gentlemen,
11. The Republic of Indonesia is an important partner for the Netherlands. Your country is a driving force behind regional integration in Southeast Asia and dialogue with the European Union. And your country is assuming a prominent position in the dialogue of cultures. The secular Republic of Indonesia not only has more Muslims than any other country in the world, it is also a faithful guardian of centuries-old Buddhist, Hindu and Christian traditions. Dutch society too is rich in traditions, cultures and religions. So let us carry the Indonesian motto bhinekka tunggal ika - “unity in diversity”, which is also the motto of the European Union, in our hearts, as a permanent goal to strive for. Let Indonesia and the Netherlands, each from in its own unique position and drawing on our historical ties, make a positive contribution to understanding and respect between countries and peoples.
12. I look forward to tomorrow’s celebrations of 60 years of the Proklamasi.
PERSAHABATAN TIDAK MENGENAL BATAS NEGARA
(Translation: Friendship knows no borders.)
Knowing that you have friends on the other side of the world inspires confidence – like-minded friends to whom you feel connected and with whom you can journey on the path to the future.
MARI KITA MENYONGSONG MASA DEPAN BERSAMA-SAMA DENGAN PENUH KEYAKINAN.
(Translation: Let us embark upon the future together in trust).
TERIMA KASIH BANYAK
(Thank you very much)


-------------------------

Source:


                                            ********


Dutch Foreign Minister Ben Bot. Interview 18.8.2005, youtube: